Stepperijken en China

Stepperijken en China

De Euraziatische steppe bestaat uit een gigantische strook grasland van ongeveer 8000 km lang dat loopt van Hongarije in het uiterste westen tot Mantsjoerije in het oosten. De steppe kan worden onderverdeeld in verschillende gebieden, van elkaar gescheiden door bergketens. De grootste onderverdeling die men maakt is de Pontisch-Kaspische steppe in het westen (Ukraïne, Kazachstan), de Centraal-Aziatische steppe (Kazachstan, Turkmenistan, Uzbekistan) en de Oost-Aziatische steppe (Mongolië, China). Dit gigantische gebied werd altijd bewoond door groepen nomaden van overwegend Turkse en Mongoolse afkomst. Vanwege de grote rol die paarden in hun bestaan speelden worden ze vaak aangeduid als ruitervolken. Hier komen de Mongolen, Hunnen, Scythen, Turken en vele andere ruitervolken vandaan. Omdat deze volken zelf zelden tot nooit schriftelijke bronnen hebben achtergelaten is al onze kennis afhankelijk van bronnen uit sedentaire samenlevingen zoals China.

Stepperijken

Onder bepaalde omstandigheden konden er op de steppe ‘rijken’ ontstaan met een centraal gezag. Voorbeelden hiervan zijn de Xiongnu en de Mongolen. Het is moeilijk om precies vast te stellen wanneer een ruitervolk een stepperijk vormde omdat oude nomadische structuren altijd bleven bestaan. Toch zijn er een aantal voorwaarden die men kan verbinden met een stepperijk. Zo is een ‘rijk’ meestal van enige omvang, heeft het een vorm van centraal gezag en een bijbehorende vorm van bestuur, regelgeving en militaire organisatie. Daarnaast moet er inning van tribuut of belastingen plaatsvinden. Ook zou je kunnen stellen dat een stepperijk uit meerdere etnische groepen moet bestaan, waarvan er een is die de anderen heeft onderworpen. Het toepassen van deze definitie op stepperijken is echter problematisch, omdat de machtsstructuur in de onderworpen stammen vaak hetzelfde bleef. De leider van de stam moest dan verantwoording afleggen aan het centrale bestuur, maar voor de stamleden zelf veranderde er weinig. De opkomst van een centraal geregeerd stepperijk ging meestal gepaard met een persoon die steeds meer macht vergaarde en andere stammen om zich heen verzamelde. Neem Djengis Khan van de Mongolen of Mao Dun van de Xiongnu. Naast een charismatische leider zijn er verschillende andere voorwaarden voor het ontstaan van stepperijken aan te wijzen. De harde leefomstandigheden van de steppe lenen zich namelijk niet voor het onderhouden van een groot rijk. Hierdoor heerste er op de steppe als het ware een natuurlijke staat van anarchie, die door interne en externe factoren kon worden doorbroken. Interne factoren zouden kunnen bestaan uit hardere leefomstandigheden door bijvoorbeeld klimaat, wat kan leiden tot migratiestromen en stammen die zich verenigen in confederaties. Meestal waren de oorzaken voor het ontstaan van stepperijken echter extern.

Ruitervolken en China

De geschiedenis van de ruitervolken is onlosmakelijk verbonden met sedentaire rijken zoals China. Dit grote en meestal welvarende rijk vormde een belangrijk doelwit voor plunderingen en het verkrijgen van tribuut. Aangezien het leven op de steppe moeilijk was, leefden de steppenomaden van nature in tribale samenleving. Stammen en clans ontstonden wanneer dit nodig was en meestal als gevolg van gebeurtenissen van buitenaf. Om zich te verenigen in een groter stammenverband hadden de nomaden geld en goederen van buitenaf nodig die niet op de steppe te krijgen waren. China en andere sedentaire rijken vormden hierdoor de voorwaarden voor het bestaan van grotere stepperijken. Deze stepperijken konden door middel van plunderen buit verzamelen, maar de voorkeur ging meestal uit naar tribuut. Als de sedentaire rijken bang genoeg waren voor de ruiters konden ze overgaan tot het afkopen van de nomaden, meestal met gigantische bedragen. Dit houdt in dat de stepperijken ten noorden van China er baat bij hadden dat China welvarend was, niet verdeeld, en bereid tot accommodatie. Als er geen krachtig centraal gezag bestond hadden de nomaden geen centrale onderhandelingspartner om grote sommen tribuut te eisen. Daarnaast kende China ook periodes waarin de heersende dynastie overging op militaire campagnes tegen de nomaden, waarbij de nomaden niet anders konden dan zich terugtrekken. Dit kwam echter niet veel voor. De tactiek dat steppenomaden door middel van (de dreiging van) plunderingen geld kregen van sedentaire rijken werd door Barfield ‘outer frontier strategy genoemd’. Als de nomaden zich binnen de grenzen van het sedentaire rijk vestigden was dit een ‘inner frontier strategy’.

De relatie tussen steppevolken en China lijkt hierdoor erg eenzijdig, maar dat was zeker niet het geval. China had op meerdere manieren de steppenomaden buiten haar grenzen heel hard nodig. Het belangrijkste goed dat met grote getalen werd geïmporteerd vanuit de steppen was paarden. De steppe was als het ware de paardenfabriek van Azië en het belang hiervan mag niet worden onderschat. Daarnaast leverden de nomaden getrainde krijgers die in Chinese legers vochten. Ook werden soms hele steppevolken ingehuurd door een Chinese keizer om zijn tegenstanders uit te schakelen. Doordat China bijna net zo afhankelijk was van de nomaden als de nomaden van China wordt hier wel gesproken van de ‘wederzijdse dependentietheorie’.

De cyclus van Barfield

Cyclus van Barfield

De eerder genoemde schrijver en antropoloog Thomas Barfield wees in zijn boek The Perilous Frontier: Nomadic Empires and China op het bestaan van een cyclus die de verhouding tussen China en Mongolië kenmerkte. In deze cyclus zijn er drie spelers: het sedentaire China, de Mongoolse (en Turkse) ruitervolken en Mantsjoerije. Zoals hierboven besproken vormde een machtig China een voorwaarde voor het ontstaan van een stepperijk. Het gevolg hiervan was dat er op meerdere momenten zowel een machtige Chinese dynastie was als een machtig stepperijk. In deze situatie was het grensgebied (the frontier) in handen van een van deze machten en hadden grensstaten zoals Mantsjoerije geen kans om te groeien. Als echter de Chinese dynastie uiteen viel volgde het stepperijk en andersom. Ze hadden elkaar immers nodig om te blijven bestaan. Op dit moment was er ruimte voor de inwoners van Mantsjoerije om China binnen te vallen en een nieuwe uitheemse dynastie te vestigen. Deze dynastie bestond uit een Chinese bureaucratie met een tribaal leger uit Mantsjoerije als steun. Deze dynastie zorgde er met harde hand voor dat er geen stepperijken konden ontstaan. Dit deden ze door verschillende stammen tegen elkaar uit te spelen of als het nodig was door militaire interventie. Ze waren dus niet bereid tot accommodatie in de vorm van tribuut, een voorwaarde voor het ontstaan van stepperijken. Als er echter een opstand kwam door inheemse Chinezen kon de Mantsjoerijse dynastie zijn aanwezigheid op de steppe niet volhouden en ontstond er ruimte voor het ontstaan van een stepperijk. Tegen de tijd dat de uitheemse dynastie omver was geworpen en vervangen door een inheemse dynastie. had zich op de steppe de beginselen van een rijk gevormd. De nieuwe Chinese dynastie is bereid tot accommodatie, wat de cyclus compleet maakt.

De cyclus van Barfield geeft nieuwe inzichten in de relatie tussen China en de steppe. Er valt echter veel op deze theorie aan te merken. Barfield onderscheidt twee grote cycli (zie plaatje) voordat de Mongolen het hele patroon verstoren. Er is in deze theorie geen ruimte voor een verklaring van de Mongoolse verovering, volgens Barfield was dit een uitzondering op de regel (de Mongolen veroverden immers een dynastie uit Mantsjoerije). Na de val van de Yuan dynastie ziet Barfield een derde cyclus, maar deze is minder overtuigend dan de eerste twee. Op basis van twee cycli is het niet geheel gerechtvaardigd om te spreken van een patroon, zeker niet als er geen verklaring kan worden gegeven waarom de Mongolen dit patroon doorbraken. Toch is de theorie van Barfield vernieuwend en zeer nuttig. Het boek is overigens heel goed leesbaar en dus een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in de verhouding tussen China en de Mongolen.

Lees meer

Opkomst van de ruitervolken
Geografie van Centraal-Azië

Literatuur

Thomas Barfield, The Perilous Frontier: Nomadic Empires and China (Cambridge 1989).

David Sneath, The Headless State: Aristocratic Orders, Kinship Society, & Misrepresentations of Nomadic Inner Asia (New York 2007).

Carter Findley, The Turks in World History (New York 2005).