Plunderaars en archeologen strijden om Mongools erfgoed

Plunderaars en archeologen strijden om Mongools erfgoed

Onder de uitgestrekte steppe van Mongolië liggen nog ontelbare historische schatten. Toen ik in Ulaan Baatar was, sprak ik met een Amerikaanse archeoloog. Met veel enthousiasme vertelde hij over al deze schatten die nog ontdekt moesten worden. Maar in zijn enthousiasme klonk ook wanhoop. Want er is veel te weinig geld beschikbaar om degelijk en uitgebreid archeologisch onderzoek te doen. Daarom blijven de schatten liggen en worden dikwijls gevonden en verkocht. Een journalist van The Guardian ging op pad met een Mongoolse archeoloog en beschrijft het probleem, lees het artikel hier.

Het droge klimaat van Mongolië maakt grootse archeologische vondsten mogelijk, doordat organisch materiaal goed bewaard blijft. Dat zorgt voor een race tussen plunderaars en archeologen, waarbij de professionals meestal het onderspit delven. Iedereen die wel eens in Mongolië is geweest, weet hoe makkelijk het is om historische schatten te kopen. Ook ik heb mij schuldig gemaakt aan het kopen van enkele pijlpunten, door jongens van rond de 10 jaar opgegraven. Het artikel spreekt vooral van plunderaars, maar vaak is het gewoon de lokale bevolking die op een eenvoudige manier wat extra geld kan verdienen.

Overal in het landschap vind je historische plaatsen, of inscripties zoals deze (Baga Gazriin Chuluu)

Het artikel meldt terecht dat archeologische vondsten in Mongolië des te belangrijker zijn, omdat er zo weinig geschreven bronnen zijn. Bijna alle bronnen die we hebben over het Mongoolse Rijk zijn afkomstig van buitenstaanders, niet zelden uit veroverde gebieden. Dat zorgt voor een eenzijdig beeld, vooral gefocust op militaire aspecten en niet op cultuur. Daardoor is er vaak onenigheid tussen archeologen en historici. De archeoloog die ik sprak in Ulaan Baatar moest niets hebben van historici. Volgens hem gaan zij veel te veel uit van de geschreven bronnen, waar de archeologische bronnen een heel ander verhaal vertellen. Historici beweren bijvoorbeeld vaak dat de meeste nomaden zelfvoorzienend waren en weinig handel dreven. Volgens archeologen laten de rijke en diverse vondsten zien dat er wel degelijk veel handel werd gedreven. Daarom is archeologie zo belangrijk om een completer beeld te krijgen van de Mongoolse geschiedenis. Gelukkig worden er programma’s opgezet om lokale bevolking bewust te maken van het belang van de vondsten.

Tot slot nog een kleine kanttekening bij het artikel. Dat vindplaatsen worden geplunderd door de lokale bevolking is helemaal waar. Maar wat in het artikel niet wordt genoemd is de enorme golf van plunderingen kort na de val van het communisme. Tijdens het communisme was Mongolië hermetisch afgesloten van de buitenwereld en bleven veel schatten bewaard, ook omdat Mongolen zelf een heel sterk historisch bewustzijn hebben. Maar met de komst van het kapitalisme kwamen ook de Chinezen, die massaal het land leegroofden. Niet alleen grondstoffen, maar ook historische schatten. Wat er nu gebeurt is bijna niets vergeleken met de enorme hoeveelheid archeologische vondsten die destijds zijn weggeroofd en in het buitenland zijn verkocht. Veel mensen zijn hier nog steeds boos over, zo ook de familie waar ik verbleef. De grot in Baga Gazriin Chuluu, op de foto hieronder, is altijd een heilige plaats geweest. Volgens de lokale bevolking zaten er aan de wanden van de grot edelstenen. Tot de Chinezen kwamen en de grot leegroofden. Nu is het gewoon een grot, zoals vele anderen.

 

 

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.