Geografie van Centraal-Azië

Geografie van Centraal-Azië

Wat is de geschiedschrijving anders dan het tekenen van lijnen, punten en strepen op een kaart? Als cartografen verkennen historici onbekend gebied en trachten zij die samen te vatten in pennenstreken. De inkt is vloeibaar en tijdig, maar de kaart als ontvanger van de inkt is eeuwig. Niet eeuwig en onbeweeglijk, want ook de kaart beweegt zich en verandert, maar op een tijdschaal niet te bevatten voor de hand met de inkt. Laten we dan eerst kijken naar de kaart, waar zovelen hebben getracht hun lijnen te plaatsen. De kaart waar ieder mens zijn eigen lijn uitzet, om eeuwen later te worden samengevoegd in één grote inktvlek. Die kaart is waar wij beginnen, nog zonder te strepen of te overgieten met inkt. De kaart van Eurazië is het uitgangspunt om alle individuele stippen en krassen te kunnen begrijpen. Voordat wij ons wenden tot de Mongoolse nomaden aan de oevers van de Onon beginnen we bij het Euraziatische continent en de plaats van Centraal-Azië in de wereldgeschiedenis. Het is wellicht verstandig om te beginnen met een definitie van het begrip Centraal-Azië.

Centraal-Azië en Midden-Azië

De termen Centraal-Azië en Midden-Azië worden gebruikt om een gebied aan te geven waarvan de precieze definitie geenszins vaststaat. Het zijn virtuele handvatten om te helpen bij het afbakenen van een gebied. De gebruikte definities kunnen ontstaan uit geografische, sociale, economische of ecologische overwegingen en verschillen al naar gelang het doel van de auteur. De termen zijn lastig omdat traditionele grenzen zoals die van landen of continenten geen rol spelen. Om te beginnen is het nuttig de twee termen van elkaar te onderscheiden. Anatoli Khazanov, de Russische autoriteit op het gebied van Centraal-Aziatische geschiedenis maakt een scherp onderscheid tussen Centraal- en Midden-Azië. Voor hem wordt Midden-Azië begrensd door de Kaspische Zee in het westen, het Pamirgebergte in Tadzjikistan in het oosten, het Aralmeer in het noorden en de Hindu Kush in Afghanistan en Pakistan in het zuiden. Centraal Azië daarentegen bestaat uit het hoger gelegen Mongolië, het westen van China en Tibet.(1) Deze definitie biedt een goed handvat en het onderscheid tussen deze twee regio’s is terecht. Toch zijn er een aantal gebreken bij het hanteren van deze nauwkeurige definitie. Ten eerste vallen verschillende gebieden die in historisch en geografisch opzicht onafscheidelijk zijn van Centraal- en Midden-Azië buiten de boot. Dit zijn bijvoorbeeld Mantsjoerije, grote delen van Siberië en delen van Oost-Europa. Daarnaast zijn grenzen altijd vloeibaar en bestaan ze op enkele grote geografische barrières na niet uit een afgebakende lijn maar uit gradiënten, ofwel geleidelijke overgangen. Het vaststellen van een precieze definitie kan dus verraderlijk zijn in historisch onderzoek omdat in een bepaalde periode deze gradiënten wellicht heel anders lagen.

Centraal-Eurazië

Om een definitie te construeren die toepasbaar is op de hele geschiedenis moeten we ons gezichtsveld vergroten en kijken naar het hele Euraziatische continent. Een blik op de kaart laat zien dat de grote agrarische samenlevingen zijn ontstaan aan de rand van dit continent: grofweg Europa, het Midden-Oosten, het Indiase subcontinent, Zuidoost-Azië en Oost-Azië. Denis Sinor gebruikt dan ook de term Centraal-Eurazië om het binnenland aan te geven dat wordt omringt door de agrarische samenlevingen.(2) De grens is cultureel maar ook geografisch van aard. De agrarische samenlevingen ontstonden in gebieden met een mild klimaat die geschikt zijn voor intensieve landbouw. In het binnenland is het klimaat extremer en omstandigheden ongeschikt voor intensieve landbouw, waardoor men er andere levenswijzen had, waaronder het nomadisme. De definitie van Centraal-Eurazië is daarom niet alleen cultureel en geografisch, maar vooral economisch. In het binnenland waren de geografische omstandigheden niet geschikt voor intensieve economieën, waardoor men overleefde door extensieve middelen zoals veeteelt, jacht en landbouw op kleine schaal(3). Het onderscheid tussen de verschillende economieën ligt geenszins vast en wordt niet volledig bepaalt door de geografie. Het landschap en het klimaat zijn het kader waarin de samenlevingen zich bewegen, de parameters waarbinnen de mens zijn leven kan vormen. Binnen die parameters zijn de keuzes die de mens kan maken onbeperkt. Hoewel de geografie de parameters bepaalt zijn het de samenlevingen die de keuzes maken in hoe zij de geografie gebruiken om te overleven. Grote delen van Centraal-Eurazië zijn geschikt voor meerdere vormen van voedsel vergaren en hebben daarom brede parameters. De landbouwer kan nomade worden, de nomade kan jager worden, niets staat vast. Alleen in de kerngebieden zijn de parameters zo nauw dat er maar één voor de hand liggende oplossing is. Zo werden grote gebieden van de steppe gedomineerd door de nomaden, maar ze hadden geen monopolie. (4)

Het Hartland

Met het vaststellen van een onderscheid tussen de agrarische samenlevingen aan de rand van Eurazië en Centraal-Eurazië ontstaat een opvallend dilemma: geschiedenis is grotendeels geschreven door de agrarische samenlevingen. Sinds de opkomst van geschiedschrijving als een zelfstandige discipline in de 19e eeuw lag de focus van historici vooral bij natiestaten. Vanuit het eurocentrische oogpunt van deze historici was Centraal-Eurazië een zwart gat waaruit op bepaalde momenten in de geschiedenis barbaarse ruitervolken binnenvielen. Zelfs als er wel aandacht was voor dit ‘zwarte gat’ was onderzoek praktisch onmogelijk doordat de volken van Centraal-Eurazië zeer weinig geschreven bronnen hebben achtergelaten en het gebied moeilijk toegankelijk was. Sinds de opkomst van de wereldgeschiedenis aan het einde van de 20e eeuw vond er een paradigmawisseling plaats. Immanuel Wallerstein en zijn vele navolgers introduceerden de wereld-systeemtheorie waarin Centraal-Eurazië van barbaarse leegte veranderde in het kloppende hart van het wereldsysteem.(5) De rol van Centraal-Eurazië in de wereldgeschiedenis gaat voorbij aan de schaal van dit stuk, maar om de opkomst van de Mongolen te begrijpen is het noodzakelijk om de kern van deze theorie kort samen te vatten. Om dit te doen gaan we terug naar het jaar 1904, waarin Mackinder zijn invloedrijke artikel ‘The Geographical Pivot of History’ publiceerde, waarmee hij de basis legde voor de wereld-systeemtheorie van Wallerstein.(6) Mackinder vraagt zijn lezers om de geschiedenis van Europa als ondergeschikt te beschouwen aan de geschiedenis van Azië, want de Europese beschaving is de uitkomst van dreiging en conflict afkomstig uit Azië.(7) De eerder besproken definitie van Centraal-Eurazië zoals gedefinieerd door Denis Sinor bouwt voort op de hartland-theorie die Mackinder hier presenteert. Het Centraal-Euraziatische hartland wordt voor Mackinder voor een belangrijk deel gekenmerkt door ontoegankelijkheid vanuit de oceanen door middel van rivieren. Het grootste gedeelte van het hartland bestaat uit een systeem van interne drainage, waarbij de neerslag niet afwatert in de zee. De rivieren die er wel lopen monden uit in de Noordelijke IJszee en geven daardoor geen toegang tot de grote oceanen. Dit gebied, waar de steppe deel van uitmaakt, is het gebied dat droog is, afgezonderd van de oceanen en uitermate geschikt voor een nomadische levenswijze. In sterk contrast staan de kustgebieden van Eurazië, die worden gekenmerkt door bossen, rivieren en een uitstekende toegang tot de oceanen. Mackinder noemt dit de marginale landen, die allemaal te maken hebben gehad met dreigingen vanuit het hartland. Hieruit ontstaat zijn stelling dat mobiliteit op de oceaan de natuurlijke rivaal is van mobiliteit op het land door paarden en kamelen.(8) De nomaden van het hartland hadden het voordeel van de centrale positie, waardoor de marginale gebieden voor contact met elkaar van de nomaden afhankelijk waren. Hieruit volgt dat in periodes van eenheid op de steppe reizen over bijvoorbeeld de zijderoute makkelijker werd, waardoor contact en handel tussen de grote sedentaire staten toenam. Deze situatie verandert echter met de ontdekking van nieuwe zeeroutes rond Afrika, wat een overwinning betekende voor de kustgebieden tegenover het hartland en de strategische ligging van het hartland ondermijnde.

 

Hartland
Het hartland volgens Mackinder

Het zwarte gat als kloppend hart

Het zal nu steeds duidelijker worden hoe het westerse beeld van de barbaarse ruitervolken is ontstaan. Zij kwamen uit een gigantisch zwart gat in het centrum van Eurazië waar een continue dreiging vanuit ging. Kennis van deze volken was er nauwelijks, alleen op momenten dat de sedentaire samenlevingen slachtoffer waren van aanvallen vanuit het hartland. Vanuit een groter perspectief blijkt echter dat alle agrarische samenlevingen zijn ontstaan en gevormd door deze dreiging en dat we gerust mogen spreken van een zwart gat dat het kloppend hart van het wereldsysteem was. Alle sedentaire uithoeken van Eurazië stonden met elkaar in contact via het hartland en gebeurtenissen in een uithoek van Eurazië konden via de steppe een kettingreactie veroorzaken waardoor de gevolgen in alle uithoeken te voelen waren. Grousset, die voor lange tijd het standaardwerk over de geschiedenis van Centraal-Azië op zijn naam had staan, toonde aan dat de inval van de Hunnen in Europa tot in India grote gevolgen had.(9) Recent is er ook steeds meer aandacht voor het fenomeen dat het Romeinse Rijk, het Parthische Rijk, het Kushanrijk in India en de Han-dynastie in China in dezelfde periode hun opkomst en ondergang beleefde en dat deze periode samenvalt met respectievelijk eenheid en verdeeldheid van de steppe onder de Xiongnu.(10) Toch kan het recent toenemend historische onderzoek naar dit fenomeen niet verhullen dat de geschreven bronnen afkomstig zijn van de sedentaire staten. Over de volken die Centraal-Eurazië bewoonden weten we bedroevend weinig. Enkele grote vragen die zijn ontstaan vragen naar de oorsprong van de ruitervolken, hoe grote stepperijken ontstonden en de dynamiek de er bestond tussen nomadische en sedentaire volken. Hoe meer men probeert antwoorden hierop te formuleren hoe meer de veelzijdigheid en complexiteit van de vragen bloot komt te liggen.

Lees meer

Opkomst van de ruitervolken
Stepperijken en China

Voetnoten

1. Anatoli Khazanov, Nomads and the outside world (Cambridge en New York 1984) 5.

2. Denis Sinor, ‘Rediscovering Central Asia’, Diogenes 51 (2004) 7-19.

3. Owen Lattimore, ‘The Geographical Factor in Mongol History’, The Geographical Journal 91 (1938) 1-16.

4. Ibidem, 5-6.

5. David Christian, ‘Inner Eurasia as a Unit of World History’, Journal of World History 5 (1994) 173-211.

6. Halford J. Mackinder, ‘The Geographical Pivot of History’, The Geographical Journal 23 (1904), 421-437.

7. Ibidem, 423.

8. Ibidem, 430-432

9. René Grousset, The Empire of the Steppes; A History of Central Asia (New Brunswick 1970) 32.

10. Andre Gunder Frank, The Centrality of Central Asia (Amsterdam 1992) 37-40.

Geef een reactie