Europa en de wereld

Europa en de wereld

Voor Europeanen die hun eigen dorp nog nooit hadden verlaten, laat staan kennis hadden van andere werelddelen, moet het hebben geleken alsof de Mongolen die onder leiding van Batu Khan en de gevreesde Subedei rond 1240 Europa op een ongekend grote schaal binnenvielen direct uit de hel kwamen. De Poolse legers gesteund door christelijke ridderorden werden bij Legnica in 1241 verpletterend verslagen. Er leek geen hoop meer, totdat God ingreep en de Mongolen zich plots terugtrokken. De angst voor de Mongolen zou niet snel overgaan, maar Europa was niet meer hetzelfde als een paar eeuwen terug. De christelijke landen hadden al enige tijd kennis gemaakt met het Midden-Oosten en nu was men nieuwsgierig geworden naar oorden die nog verder weg waren en waar monsters en mythische koningen vertoefden. Het duurde dan ook niet lang of de eerste zendelingen vertrokken op hun tochten die jaren zouden duren.
Giovanni Da Pian del Carpini reisde in 1245 in opdracht van paus Innocentius IV naar het Mongoolse Rijk en was daarmee de eerste Europeaan die uitgebreid verslag deed van het leven en gewoontes van de Mongolen. Het was Carpini die de weg opende voor latere reizigers zoals Rubruck en Marco Polo. Slechts vier jaar na de desastreuze gebeurtenissen bij Legnica vertrok hij. Toch komt er in dit werk een zekere ambivalentie naar voren ten opzichte van de Mongolen. Het beeld van de Mongool als barbaar en vijand van het christendom voert de boventoon, iets dat gezien de omstandigheden weinig verbazing zal wekken. Deze houding is duidelijk verwoord in de volgende passage:

‘However, to kill men, invade others’ lands, acquire others’ goods by unjust methods, to fornicate, to do injury to other men, to act against the commands received from God is not a sin among them’.[1]

Dit illustreert de gedachte van veel Europeanen uit de Middeleeuwen, waarbij de Mongolen barbaars en als vijand van het beschaafde christendom werden afgebeeld. Niet voor niets werd de populaire naam voor de Tataren in Europa al snel vervangen door Tartaren, een woordspeling op Tartarus, de hel uit de Griekse mythologie. In dezelfde tekst geeft Carpini echter ook blijk van een zekere zelfreflectie over zijn eigen volk. Zo wil hij geen Mongoolse gezant meenemen omdat die de verdeeldheid onder de Europeanen zou zien. Ook geeft hij in dezelfde passage de volgende bekentenis:

‘our people are for the most part arrogant and proud’[2]

De houding van Carpini tegenover de Mongolen gaat dus twee kanten uit. Aan de ene kant bevestigt hij het populaire beeld van de barbaarse Mongolen, maar aan de andere kant geeft hij toe dat zijn eigen volk arrogant is. Zoals zo vaak leidde het contact met ‘de ander’ tot een kritische zelfreflectie. Het motief van de Mongolen als barbaren verdwijnt niet uit latere bronnen maar wordt wel steeds meer genuanceerd. Willem van Rubruck geeft blijk van een meer wetenschappelijke houding op zijn reis en lijkt soms ook onder de indruk te zijn van het Mongoolse Rijk. Zijn verslag leidt Roger Bacon ertoe te zeggen dat de Mongolen hun succes te danken hebben aan ‘their wonderful works of science’.[3] Waar Carpini nog vasthield aan Europese mythes was Rubruck ruimdenkender en was hij minder negatief over de Mongolen. In latere reizen, bijvoorbeeld van Marco Polo, lijkt het beeld te zijn omgeslagen naar een zeker ontzag voor het Mongoolse hof. Niet alleen dat, het Mongoolse Rijk begint een voorbeeldfunctie te vervullen.

In dit werkstuk wil ik antwoord geven op de vraag hoe het beeld van Azië en de Mongolen zich evolueerde door de jaren heen. Het uitgangspunt hiervoor is de ambivalente houding van de Europese reizigers. Wat voor kennis droegen de reizigers met zich mee op hun reizen naar het onbekende? Hoe gingen zij om met bestaande Europese verhalen en wat voor gevolg had de nieuwe kennis op het Europese denken? De focus ligt dus niet zo zeer op materiele en culturele overdracht zoals onder andere uitvoerig beschreven in het  populaire boek van Jack Weatherford.[4] De Mongolen hebben namelijk in meer dan materiële zin een bijdrage geleverd aan de periode die bij ons bekend staat als de Renaissance. De nieuwe reizen die door Europeanen werden ondernomen zorgde voor contacten met volkeren en plaatsen waar tot dan toe weinig tot niets over bekend was. Dit contact leidde tot nieuwe kennis en tot een vorm van zelfreflectie. In de Europese geschiedenis vond de meeste vooruitgang plaats na en als gevolg van nieuwe contacten met andere culturen. De Mongolen vormen hierop geen uitzondering.

  1. De Droomtijd

Voordat Europeanen in de 13e eeuw langzaam de verre regionen in het oosten begonnen te ontdekken was Azië een leegte op de Europese landkaarten. Sinds de 7e eeuw stagneerde het al weinige verkeer tussen Azië en Europa. Grotendeels had dit te maken met de opkomst van de Islam in het Midden-Oosten, dat een extra barrière vormde tussen Oost en West.[5] Steeds meer werd de Bijbel een bron van kennis over Azië, samen met schrijvers als Isodorus van Sevilla en Augustinus. Zij bouwden voort op mythische kennis uit de Oudheid en combineerden dit met kennis uit de Bijbel. Zo werd de leegte op de landkaart gevuld met mythische wezens en Bijbelse koninkrijken. Naast de Bijbel en de klassieken werd de literatuur rondom Alexander de Grote vaak gebruikt als kennisbron over India, een begrip dat zo vaag was dat ook het Arabisch schiereiland en soms zelfs delen van Afrika er mee werden aangeduid.[6] Reizigers zoals Giovanni Carpini of Willem van Rubruck namen deze voorkennis met zich mee op hun reizen naar het Mongoolse Rijk. Wat zij zagen en meemaakten probeerden ze te plaatsen in dit kader. Het is daarom van te belang te analyseren wat Azië voor de Europeanen uit de 13e eeuw betekende. Van de vele mythes die er bestonden zal ik er hier een aantal behandelen, te beginnen met die van het paradijs op aarde.

Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, dien Hij geformeerd had.’ Genesis 2:8[7]. Niet alleen was het hof van Eden in het oosten geplant, ook stroomden de vier grote rivieren Pison (Ganges), Gihon (Nijl), Tigris en Eufraat uit het paradijs. Aanvankelijk was men er niet zeker van of het hier om een metafoor ging of een werkelijk bestaand paradijs in het oosten. Mede dankzij eerder genoemde schrijvers Isodorus van Sevilla en Augustinus werd het paradijs steeds meer als een bestaande plaats op aarde gezien.[8] Volgens Isodorus van Sevilla, een veel gelezen bron in de Middeleeuwen, was het paradijs gesitueerd in Azië maar sinds het neerdalen van de zonde over de mensheid niet toegankelijk.[9] Toch was dit tot de 11e eeuw niet een algemeen geaccepteerde visie, mede doordat het hof van Eden voor de zondvloed werd geschapen en deze dus tijdens de vloed zou zijn vernietigd. In de 11e en 12e eeuw werd het beeld van bestaand hof van Eden steeds populairder door schrijvers als Honorius van Autun (1080-1154), Petrus Lombardus (c1100-1160) en Thomas van Aquino (1225-1274).[10]  Deze en meer schrijvers wijdden passages aan de precieze locatie van Eden. Dit komt terug in verschillende wereldkaarten uit die tijd, zoals de Mappa Mundi van Ebstorf (c1243) en de Hereford Mappa Mundi (c1300). Deze T-O kaarten toonden bovenaan, in het verre oosten, het hof van Eden.

Azië was niet alleen de locatie van het paradijs, ook vele monsterlijke rassen werden hier geplaatst. Al sinds de oudheid was India het land van de skiapoden, blemmyae, cynocefalen en vele andere schepsels. Sommigen hadden één been met een grote voet waarmee ze zich tegen de zon konden beschermen maar ook snel mee konden rennen. Anderen waren mensen met hondenkoppen of helemaal geen hoofd. Veel van deze rassen waren beschreven door Plinius de Oudere waardoor ze ook wel Plinische rassen zijn gaan heten. Ook draken, eenhoorns en griffioenen zouden deze gebieden bewonen. Een groot deel van de kennis over India in de Middeleeuwen was afkomstig van het reisverhaal van Alexander de Grote, opgeschreven door Megasthenes. Zijn kleurrijk verslag met vele monsters en wonderen vormde tot de komst van de Mongolen een van de belangrijkste bronnen voor Europeanen over India.[11] Ook Plinius baseerde zijn verhalen over India op Megasthenes. De Plinische monsters uit de Oudheid werden door Augustinus een plaats gegeven in het christendom met het argument dat alle wezens op aarde door God zijn geschapen. Zoals ook misvormde mensen afstammelingen zijn van Adam zo zijn ook menselijke monsters afstammelingen van Adam. Of deze al dan niet bestaan laat Augustinus in het midden.[12] Isodorus nam dit standpunt over in zijn Etymologiae, waarna de monsterlijke rassen een vaste plaats kregen in middeleeuwse werken. Ook de cartografie bleef niet vrij van monsters, zo zijn er op de eerdergenoemde Mappa Mundi van Ebstorf in Azië onder andere griffioenen en eenhoorns te zien en op de Hereford Mappa Mundi ligt er vlakbij het paradijs een skiapod op zijn rug. Het zal daarom geen verbazing wekken dat de eerste Europese reizigers op zoek gingen naar deze monsters.

Een laatste mythe die de Europese reizigers met zich meedroegen was die van Pape Jan. Vanaf de 12e eeuw deden er in Europa brieven en verhalen de ronde die spraken over een machtige christelijke koning in Azië. In 1164 ontving de Byzantijnse keizer Manuel Comnenus een brief van deze Pape Jan die zich al snel verspreidde onder de Europese koninkrijken. In deze brief kwamen alle eerdergenoemde elementen van het paradijs en monsterlijke rassen terug. Zo werd de rivier de Idon die uit het paradijs vloeide en vol kostbare edelstenen was beschreven. In tegenstelling tot het aardse paradijs hadden de Europese christenen directe belangen bij het al dan niet bestaan van Pape Jan. Zij konden heel goed een bondgenoot gebruiken in de strijd tegen de moslims in het Midden-Oosten en het geloof dat Pape Jan met zijn omvangrijke legers te hulp zou schieten was dan ook wijd verspreid. Carpini, Rubruck, Polo en andere reizigers gingen op zoek naar dit legendarische koninkrijk en gaven het een plaats in hun waarnemingen. De manier waarop zij Pape Jan situeerden in hun reisverhalen verteld ons veel over hun gedachtegang en motieven.

 

  1. Ontdekking van de leegte

De Mongolen deden rond 1240 zeer plotseling hun intrede in de Europese geschiedenis. Drie grote legers onder leiding van Batu Khan, kleinzoon van Djengis Khan, trokken Europa binnen en leken niet te stoppen. In een grote veldslag bij Legnica in 1241 werd een bondgenootschap van Poolse legers en christelijke ridderordes verpletterend verslagen. De schaal en gewelddadigheid van deze inval was ongekend in Europa en voor velen was dit een duidelijke voorbode voor het aanbreken van het einde der tijden. De ene na de andere eschatologische verklaring werd gegeven maar niemand wist het precieze antwoord op de vraag waar de Mongolen vandaan kwamen. Enkele eeuwen eerder was het misschien gebleven bij het zoeken van deze Bijbelse verklaringen, maar Europa was langzaam aan het veranderen. Met de start van de kruistochten begon de mentaliteit van Europeanen tegenover het Oosten te veranderen. Niet langer werd er alleen gefantaseerd over deze verre streken, met trok er naar toe en wilde meer leren.[13] Aanvankelijk ervoer men met name de negatieve effecten van de Mongoolse veroveringen, maar al snel konden handelaren de vruchten plukken van een handelsnetwerk dat zich over heel Azië uitstrekte en konden reizigers zonder problemen naar het Mongoolse hof reizen. De periode van vrede en stabiliteit binnen de grenzen van het Mongoolse Rijk wordt ook wel de ‘Pax Mongolica’ genoemd. De eerste succesvolle missie naar het Mongoolse hof was van Giovanni DiPlano Carpini, die in 1245 vertrok.

Van de drie teksten die hier worden behandeld (Carpini, Rubruck en Polo) is Carpini over het algemeen het meest negatief over de Mongolen. Ze zijn wreed, hebben geen eergevoel en zijn zelfs kannibalen.[14] Carpini’s houding is niet vreemd aangezien zijn reis pas vier jaar na de desastreuse slag bij Legnica plaatsvond. De dreiging van de Mongolen moet nog vers in zijn geheugen hebben gestaan en het doel van zijn tekst is dan ook vooral een manier te zoeken waarop Europeanen zich het beste tegen de Mongolen kunnen verdedigen. Volgens Carpini hebben de Mongolen de hele wereld veroverd behalve christelijk Europa.[15] Het zou dan ook niet lang meer duren voordat ze weer zouden komen. Opdat de christelijke wereld niet opnieuw zou worden verrast door de Mongolen gaf Carpini uitgebreide beschrijving van Mongoolse oorlogsvoering, wapens en wapenrustingen.[16] Zijn beschrijvingen zijn zeer gedetailleerd en ook de adviezen die Carpini aan de christenheid geeft om zich te verdedigen tegen de Mongolen lijken ervan te getuigen dat Carpini grote kennis over oorlogsvoering had. Hij gebruikte alles wat hij had geleerd op zijn reis en gaf bijvoorbeeld het advies om de Mongolen met hun eigen wapens te bestrijden. Het belangrijkste wat hij echter aan de christelijke landen wil meegeven is dat ze alleen kunnen winnen als ze samenwerken:

‘Therefore if the Christians wish to save themselves, their country, and Christianity, they must gather in one body the kings, princes, barons and rectors of the lands and send men to fight the Tartars under a single plan’.[17]

Naast de opvallend accurate beschrijvingen wat betreft oorlogsvoering vinden we bij Carpini ook verhalen over monsters en Pape Jan. Zo vertelde hij over een ras dat Isodorus ciclopeden noemde, een ras waar de mannen er uit zien als honden en een land waar het geluid van de zon zo veel pijn doet dat men met één oor op de grond moest gaan liggen.[18] Door al deze elementen vertegenwoordigt de tekst van Carpini een overgang van het middeleeuwse gedachtegoed naar een nieuwe manier van denken. Carpini gaat ten eerste zelf op onderzoek uit, geeft nauwkeurige beschrijvingen van de voor hem relevante zaken en geeft kritiek op de verdeeldheid van Europa. Aan de andere kant is hij nog steeds op zoek naar monsters en mythes. Hij beweert echter niet dat hij deze monsters zelf heeft gezien, hij heeft er alleen van horen vertellen. Enkele van deze monsterlijke rassen kwamen ook daadwerkelijk voor in Mongoolse verhalen.[19] Het zou daarom te makkelijk zijn om te beweren dat Carpini monsters aan zijn verhaal toevoegde omdat dat van zijn Europese publiek werd verwacht. Het lijkt er meer op dat hij op zijn reis verhalen van monsters hoorde en deze verhalen op een slimme manier verbond met de in Europa bekende verhalen. Dit zien we later terug bij onder andere Marco Polo.

Ook Rubruck, die zijn reis in 1253 begon, ging in zijn reisverslag op zoek naar monsters. Aan een priester vroeg hij naar de monsters waar Isodorus en Solinus over spraken. [20]  De priester antwoordde dat deze monsters niet bestaan waarop Rubruck zijn twijfels uitte over ‘het verhaal’. Het is niet duidelijk of hij daarmee het verhaal van de priester bedoelde of het verhaal van de monsters.[21] De volgende passage lijkt echter een aanwijzing te geven. Hier ontmoet Rubruck een andere priester die hem vertelt over het wonderlijke ras van de Chinchin. Als hij daarna verder gaat over een plaats waar men niet ouder wordt zegt Rubruck dat hij dit niet gelooft.[22] Rubruck geeft hiermee blijk van een kritischere houding ten opzichte van mythes en verhalen dan Carpini. In zijn verdere verslag besteedt hij ook weinig aandacht aan monsters maar geeft hij een getrouwe beschrijving van zijn reizen en ervaringen. In tegenstelling tot Carpini geeft hij weinig oordelen en is hij niet geïnteresseerd in militaire zaken. Hoewel hij meerdere malen beweert dat hij niet als gezant maar als missionaris reisde lijkt hij meer dan Carpini op een diplomaat in moderne zin. Opvallend is dat hij net als Carpini weigerde Mongoolse diplomaten mee te nemen. Carpini geeft hiervoor de reden dat de Mongoolse diplomaat dan de verdeeldheid van de Europeanen zou waarnemen.[23] Rubruck daarentegen geeft als argument dat er vijandelijke landen tussen het Mongoolse Rijk en Europa liggen.[24] De vraag die hierbij onvermijdelijk wordt gesteld is waarom Rubruck zelf wel door die vijandige landen zou kunnen reizen maar niet met een Mongoolse diplomaat. Het lijkt er op dat ook Rubruck niet wil dat de Mongolen de zwakke toestand van Europa zouden waarnemen maar hij dit niet wil zeggen. Het pas in de wetenschappelijke en ingetogen toon van Rubruck, waar weinig humor of fantasie aan te pas komt.

Ondanks reisverhalen zoals die van Rubruck en Carpini bleef de kennis van het oosten in Europa zeer beperkt. Dit veranderde met de 24 jaar durende reis van Marco Polo en zijn boek dat hij na terugkeer samen met Rustichello van Pisa schreef. Meer dan Rubruck en Carpini ging Marco Polo op zoek naar de waarheid. Dit betekent niet dat hij de middeleeuwse mythes liet vallen, hij vond juist nieuwe manieren om deze in te passen binnen zijn eigen waarnemingen. Umberto Eco gebruikt een verhaal van Polo waarbij hij neushoorns beschrijft als zijnde eenhoorns om aan te geven dat in het middeleeuwse denken mythische concepten bij nieuwe waarnemingen niet werden weerlegd maar deze waarnemingen op een creatieve manier in het eigen wereldbeeld werd geplaatst.[25] Het verhaal van Pape Jan is een goed voorbeeld omdat elk van deze drie reizigers er een eigen versie van geeft. Carpini meldt dat Djengis Khan een leger had gestuurd naar de christenen in India. Hun koning, Papa Jan, wist via een slimme truc met Grieks vuur de Tartaren te verslaan, waarna ze nooit meer terugkeerden.[26] Hoewel er geen melding wordt gemaakt van de mythes rondom Pape Jan past het verhaal goed binnen de Europese verhalen over deze koning. Rubruck pakt het voorzichtiger aan en maakt slechts twee keer melding van Pape Jan, waarbij hij alleen opmerkt dat de plek waar Karakorum ligt vroeger het land van Pape Jan was.[27] Marco Polo vervolgens schreef uitgebreid over Pape Jan en wie hij was. Volgens Polo was Pape Jan dezelfde figuur als Ong Khan, de nestoriaanse koning van de Keiraïten. Nadat deze Ong Khan weigerde zijn dochter uit the huwelijken aan Djengis Khan werd Ong Khan verslagen in een oorlog.[28] Zo is er een lijn te zien van de eerste reiziger die niet loskwam van Europese mythen en een veldslag beschreef waarin Pape Jan won naar Marco Polo die jaren later van Pape Jan een historisch personage maakt en hem zelfs laat verliezen van Djengis Khan. Pape Jan gaat van een machtige christelijke koning van Indië vol rijkdom en mythische wezens naar een kleine nestoriaanse koning die geen partij is voor Djengis Khan. De mythe van Pape Jan stierf hierdoor niet uit, integendeel. Nu de leegte in Azië was opgevuld en er geen plek meer was voor mythen verplaatste het magische koninkrijk zich naar Ethiopië, waar het nog lange tijd is gebleven.

 

  1. Europa op het wereldtoneel

Op 3 september 1260 leerden de Mongolen bij Ain Galut wat het betekende om een grote veldslag te verliezen. Hoewel deze nederlaag tegen de Mammelukken voor Hulagu Khan niet meer betekende dan een tijdelijke terugslag zorgde het er wel voor dat hij nieuwe diplomatieke contacten zocht.[29] Een van deze nieuwe contacten was koning Louis IX van Frankrijk. In 1262 ontving Louis een brief van Hulagu met daarin een vriendelijke doch dwingende oproep samen te werken tegen de Mammelukken, hun gezamenlijke vijand.[30] Het was de eerste brief in een lange reeks diplomatieke contacten en betekende de entree van Europa op het diplomatieke wereldtoneel. Deze nieuwe contacten zorgden voor een grote verandering in het Europese denken. Tot de komst van de Mongolen was het christelijke Europa in de ban van het idee dat de eindtijd zou komen op het moment dat de hele wereld was bekeerd tot het christendom. Dit idee droeg onder meer bij aan het idee van de kruistochten en het heroveren van het Heilige Land. De verwachte zege over de moslims bleef uit en het optimisme van de christenen kreeg zware slagen te verduren. Toen ook nog de Mongolen rond 1240 Europa op een ongekende schaal binnenvielen was er niets meer over van dat optimisme.[31] Niet lang daarna voerde paus Innocentius IV (1243-1254) een grote aanpassing door in de christelijke natuurwetten. Volgens Innocentius had iedereen recht op het stuk land dat hij sinds het begin der tijden als eerste had geclaimd.[32] Dit gold ook voor niet-christenen en hij leek daarmee toe te geven aan het idee dat niet alle volkeren zouden moeten buigen voor christenen. Tegelijkertijd leverde dit een rechtvaardiging voor de kruistochten. De moslims hadden immers het Heilige Land, dat als een christelijke erfenis werd gezien, onterecht afgepakt. Het valt niet met zekerheid te zeggen of deze bijna revolutionaire gedachte een direct gevolg was van de opkomst van het Mongoolse Rijk, maar de omstandigheden wijzen hier wel op.

Na de nieuwe diplomatieke contacten in de tweede helft van de 13e eeuw veranderde ook het karakter van de reizen die werden ondernomen. Waar voorheen militaire kennis (Carpini) of bekering (Rubruck) het doel was verschoof dit nu meer naar handelsondernemingen. Niet alleen op het diplomatieke veld was Europa een speler in de wereldpolitiek geworden, ook op het gebied van handel sloot het voorheen gesloten Europese systeem zich aan op andere handelssystemen. Met name Italiaanse steden profiteerden van deze nieuwe handelsmogelijkheden. Niet voor niets begon voor Sienna de Gouden Eeuw in 1260.[33] Europese steden zoals Sienna konden profiteren van een florerende zijderoute en een Mongools handelsnetwerk dat in schaal en controle alle voorgaande handelsnetwerken voorbij streefde.[34] Verslagen van onder andere Marco Polo over het verre Cathay leidde Columbus er toe dit land te gaan zoeken via een andere zeeroute, met alle bekende gevolgen van dien.

Niet alleen konden de Europeanen profiteren van de groei in handel en kennisoverlevering, ook zorgde de dreiging van de Mongolen voor een van de eerste ideeën over een verenigd Europa buiten de kerk. Dit idee kwam van Alexander van Roes die in 1288 zijn Notitia Saeculi schreef. Hierin betoogde hij dat er door de vele dreigingen vanuit het Oosten een verenigd Europa de enige oplossing was.[35] Binnen Europa benadrukte hij de eeuwige strijd tussen kerk en staat, waarbij de kerk op dat moment op het hoogtepunt van haar macht was. Om het naderende gevaar te kunnen weren werd het tijd dat de staat het overnam. Dat het idee van een geseculariseerd en verenigd Europa in 1288 al werd opgeschreven heeft alles te maken met de komst van de Mongolen. Hoewel het nog lang zou duren voordat dit ideaal werd gerealiseerd werd het idee geplant door intensieve contacten met ‘de ander’. Deze contacten zorgden er in de eerste plaats voor dat de ‘ander’, om het in de woorden van de socioloog Karlheinz Ohle te zeggen, niet langer cognitief was en een projectie vormde zonder dat er direct contact was, maar normatief, waarbij er direct contact was met de ander en oordelen op dit contact werden gebaseerd.[36] Op de tweede plaats zorgden de nieuwe contacten voor een nieuwe, kritische blik op de ‘ingroup’ van Europa. Het gevaar van verdeeldheid en onderlinge oorlogen werd vele malen groter door de dreiging van de Mongolen. Uit deze angst ontstond voor het eerst het idee ‘Europa’.

Conclusie

De komst van de Mongolen naar Europa betekende in eerste instantie een bloedig conflict en een nomadische inval in Europa die in grootte en schaal sinds de Hunnen niet meer was gezien. Toen de Mongoolse Khans zich vanaf 1260 minder met veroveren bezig gingen houden en zich meer ging richten op handelsnetwerken ontstond er een wereldsysteem waar Europa bij werd betrokken. Met name de Italiaanse steden konden hiervan profiteren en het is vaak geopperd dat de toename aan verre handel bijdroeg aan het ontstaan van de Renaissance.[37] Deze redenatie kent echter een aantal gebreken, waarvan er eerder in de werkstuk een aantal naar voren zijn gekomen. Ten eerste loopt de ontwikkeling van de Middeleeuwen naar de Renaissance niet lineair. Het werk van John Mandeville (c1366) waar vele monsters en wonderen in Azië worden geplaatst kwam later dan bijvoorbeeld Carpini, Rubruck en Marco Polo, die liever een getrouw verslag gaven van hun reizen. Maar ook bij deze auteurs is het niet zo dat ze zich afkeren van middeleeuws bijgeloof. Ze zoeken naar verklaringen voor Pape Jan, horen verhalen over monsters en hoewel ze die niet kunnen verifiëren worden ze toch opgeschreven en aangepast naar Europese mythen. Mythe en werkelijkheid liepen door elkaar heen.

Het tweede argument dat vooral door Jack Weatherford wordt gegeven voor de bijdrage van de Mongolen aan de Renaissance is materiële overdracht via handel.[38] Hoewel hier wellicht een kern van waarheid in zit zijn de bewijzen schaars. De Mongolen hebben wel degelijk bijgedragen aan een ontwaking van Europa, maar meer op intellectueel dan op materieel gebied. Men begon kennis te maken met andere volken en streken die tot dan toe alleen via eeuwenoude teksten waren overgeleverd. Zoals eerder gezegd werden oude mythen nog wel geprojecteerd op de werkelijkheid, maar er veranderde toch iets in het realiteitsbesef. Niet langer werden mondelinge of geschreven bronnen altijd voor waar aangenomen en niet langer was men tevreden met alleen maar kijken naar en fantaseren over het Oosten. Waar de wereld voorheen een tweedimensionaal geheel was waarbij men leefde in duidelijk afgezette grenzen en de leegte van onbekende gebieden werd gevuld met mythen kwam er sinds het begin van de kruistochten een nieuwe dimensie bij. Een nieuwe werkelijkheid waarbij de gebieden waarvan men voorheen wist dat ze bestonden, maar op een bepaalde manier verheven waren boven de werkelijkheid (van het hof van Eden werd geloofd dat het zich zowel op aarde als in de hemel bevond) werd nu ontdekt en toegevoegd aan het realiteitsbesef van de Europeanen. Het Oosten werd toegankelijk en meer: het werd een toneel van handel en diplomatiek. Zoals er in het ruimtebesef een nieuwe dimensie werd toegevoegd zo werd ook de geschiedenis driedimensionaal. Niet langer was de geschiedenis lineair en slechts een tussenfase tussen begin- en eindtijd. Men herontdekte de klassieken en begon zich te interesseren op het verleden buiten het geloof om. Ook in de kunst weerklonk de ontdekking van de nieuwe dimensie in de vorm van het perspectief. En in de muziek en literatuur. Overal werd de nieuwe dimensie ontdekt en het is precies die ontdekking die we de Renaissance nomen. Het waren niet de Mongolen die Europa deden ontwaken uit de middeleeuwen, maar wel gaven ze op een cruciaal tijdstip een extra impuls om de nieuwe dimensie te gaan ontdekken.

Lees meer

De missie van Rubroek: een reis naar de Khan (1253-1255)
Pax Mongolica

Literatuur

Beckwith, Christopher, Empires of the Silk Road: A History of Central Eurasia from the Bronze Age to the Present (Princeton 2009).

Carpine, Giovanni da Pian del, Erik Hildinger, The Story of the Mongols Whom We Call the Tartars: Friar Giovanni Di Plano Carpini’s Account of His Embassy to the Court of the Mongol Khan (Boston 1996).

Delumeau, Jean, History of Paradise: The Garden of Eden in Myth and Tradition (Urbana 2000).

Eco, Umberto, ‘From Marco Polo to Leibniz. Stories of Intellectual Misunderstandings’ In: Serendipities: Language and Lunacy (New York 1998).

Findley, Carter Vaughn, The Turks in World History (Oxford 2005).

Lach, Donald, Edwin Van Kley, Asia in the Making of Europe (Chicago 1965).

Meyvaert, Paul, ‘An Unknown Letter of Hulagu, Il-khan of Persia, to King Louis IX. of France’ Viator 11 (1980).

Polo, Marco, Henry Yule, The Travels of Marco Polo (Boston 2010).

Prazniak, Roxann, ‘Siena on the Silk Roads: Ambrogio Lorenzetti and the Mongol Global Century, 250-1350’ Journal of World History, 21 (2010).

Ruysbroeck, Willem van, Giovanni Carpini, William Woodville Rockhill, William of Rubruck’s Account of the Mongols: The Journey of William of Rubruck to the Eastern Parts of the World, 1253-55 (Maryland 2005).

Schmieder, Felicitas, ‘The moment of the Mongols or When Europe grew out of its infancy’ in: Produktive Kulturkonflikte (Berlijn 2005) 63-73.

Valtrová, Jana, ‘Beyond the Horizons of Legends: Traditional Imagery and Direct Experience in Medieval Accounts of Asia’, Numen 57 (2010).

Weatherford, Jack, Genghis Khan and the Making of the Modern World (New York 2004).

Wittkower, Rudolf, ‘Marvels of the East. A Study in the History of Monsters, Journal of the Warburg and Courtauld Institutes, 5 (1942). 

Voetnoten

[1] Giovanni da Pian del Carpine, Erik Hildinger, The Story of the Mongols Whom We Call the Tartars: Friar Giovanni Di Plano Carpini’s Account of His Embassy to the Court of the Mongol Khan (Boston 1996) 45.

[2] Carpine, Hildinger, The Story of the Mongols Whom We Call the Tartars, 116.

[3] Carter Vaughn Findley, The Turks in World History (Oxford 2005).

[4] Jack Weatherford, Genghis Khan and the Making of the Modern World (New York 2004

[5] Donald Lach, Edwin Van Kley, Asia in the Making of Europe (Chicago 1965) 22.

[6] Jana Valtrová, ‘Beyond the Horizons of Legends: Traditional Imagery and Direct Experience in Medieval Accounts of Asia’, Numen 57 (2010) 154-185.

[7] Statenvertaling (Jongbloed-editie), http://www.biblija.net.

[8] Valtrová, ‘Beyond the Horizons of Legends’, 161.

[9] Jean Delumeau, History of Paradise: The Garden of Eden in Myth and Tradition (Urbana 2000) 44.

[10] Jean Delumeau, History of Paradise: The Garden of Eden in Myth and Tradition, 45-48.

[11] Rudolf Wittkower, ‘Marvels of the East. A Study in the History of Monsters, Journal of the Warburg and Courtauld Institutes, 5 (1942) 161-162.

[12] Ibidem, 168-169.

[13] Felicitas Schmieder, ‘The moment of the Mongols or When Europe grew out of its infancy’ in: Produktive Kulturkonflikte (Berlijn 2005) 63-76 aldaar 63-66.

[14] Carpine, Hildinger, The Story of the Mongols Whom We Call the Tartars, 51-52.

[15] Ibidem, 85.

[16] Ibidem, 71-78.

[17] Carpini, Hildinger, The story of the Mongols, 89.

[18] Ibidem, 60-70.

[19] Valtrová, ‘Beyond the Horizons of Legends’, 170.

[20] Willem van Ruysbroeck, Giovanni Carpini, William Woodville Rockhill, William of Rubruck’s Account of the Mongols: The Journey of William of Rubruck to the Eastern Parts of the World, 1253-55 (Maryland 2005) 77.

[21] Valtrová, ‘Beyond the Horizons of Legends’, 154-185, aldaar 169-170.

[22] Ruysbroeck en Rockhill, William of Rubruck’s Account of the Mongols, 77.

[23] Carpini, Hildinger, The story of the Mongols, 116-117.

[24] Ruysbroeck en Rockhill, William of Rubruck’s Account of the Mongols, 94.

[25] Umberto Eco, ‘From Marco Polo to Leibniz. Stories of Intellectual Misunderstandings’ In: Serendipities: Language and Lunacy (New York 1998) 53−76.

[26] Carpini, Hildinger, The story of the Mongols, 60.

[27] Ruysbroeck en Rockhill, William of Rubruck’s Account of the Mongols, 53.

[28] Marco Polo, Henry Yule, The Travels of Marco Polo (Boston 2010) H. XLVII.

[29] Paul Meyvaert, ‘An Unknown Letter of Hulagu, Il-khan of Persia, to King Louis IX. of France’ Viator 11 (1980) 245-59, aldaar 248-249.

[30] Ibidem.

[31] Felicitas Schmieder, ‘The moment of the Mongols or When Europe grew out of its infancy’ in: Produktive Kulturkonflikte (Berlijn 2005) 63-76 aldaar 68-69.

[32] Ibidem.

[33] Roxann Prazniak, ‘Siena on the Silk Roads: Ambrogio Lorenzetti and the Mongol Global Century, 250-1350’ Journal of World History, 21 (2010) 177-217, aldaar 177.

[34]Christopher Beckwith, Empires of the Silk Road: A History of Central Eurasia from the Bronze Age to the Present (Princeton 2009) 201-203.

[35] Felicitas Schmieder, ‘The moment of the Mongols or When Europe grew out of its infancy’ in: Produktive Kulturkonflikte (Berlijn 2005) 63-76 aldaar 73-75.

[36] Valtrová, ‘Beyond the Horizons of Legends’, 154-185, aldaar 177.

[37] Jack Weatherford, Genghis Khan and the Making of the Modern World (New York 2004) 236-239.

[38] Ibidem.

Geef een reactie