De missie van Rubroek: een reis naar de Khan (1253-1255)

De missie van Rubroek: een reis naar de Khan (1253-1255)

In 1253 vertrok Rubroek (ook wel Rubroeck, Rubrouck of Rubruck), een Vlaamse monnik van de franciscaner orde, naar het hof van Sartach. Over deze Mongoolse prins deden verhalen de ronde dat hij zich zou hebben bekeerd tot het christendom. Rubroek kreeg een brief mee van koning Lodewijk IX, waarin Sartach werd gefeliciteerd met zijn bekering. Sartach ontving Rubroek, maar stuurde hem vervolgens door naar een andere prins, die hem uiteindelijk weer doorstuurde naar de Mongoolse Khan. Deze reis voerde Rubroek als eerste Europeaan naar Karakorum, de hoofdstad van het Mongoolse Rijk. Na zijn terugkomst schreef Rubroek een reisverslag, dat door moderne historici wordt geprezen om zijn persoonlijke stijl. Op een, voor die tijd, bijzonder moderne manier beschreef Rubroek zijn ervaringen tijdens de reis en geeft daardoor een zeldzaam beeld van hoe een dergelijke tocht er toen uitzag. Over de motivatie van Rubroek om deze lange reis te ondernemen bestaat veel onduidelijkheid. In eerste instantie lijkt de brief van koning Lodewijk IX een voor de hand liggende reden, maar Rubroek was niet slechts een boodschapper. Hij ging ook om te bekeren, in navolging van zijn achtergrond als franciscaan. Historici zijn verdeeld over de rol en invloed van de paus, koning Lodewijk IX en Rubroek zelf. Wie nam het initiatief tot deze reis en wat zegt dat over het persoonlijke doel van Rubroek? Dit artikel onderzoekt de omstandigheden waaruit de reis voortkwam, de invloeden van de koning en de paus en de persoonlijke motivatie van Rubroek om zo tot een beter beeld te komen van deze bijzondere reis.

Route van Rubroek
De route van Rubroek

Inleiding

Reizen is niet slechts ontdekken, het is veranderen en aanpassen. Strepen en aantekeningen maken in de kennis die ieder met zich meeneemt. Toen Marco Polo zijn beroemde reis begon had hij talloze verwachtingen. Deels kennis van reizigers die de jaren daarvoor dezelfde reis hadden ondernomen, deels kennis van geschriften waarin verre landen in Azië werden gezien als mythische oorden waar vreemde rassen woonden en grote priesterkoningen. Een van de mythes die hij meenam was die van de eenhoorns. In de landen die hij ging bezoeken leefden volgens de Europese overlevering deze fabeldieren en uiteraard was Polo daar naar op zoek. Toen hij ze vond waren ze anders dan hij ze had voorgesteld: groter, grijzer en lelijker, maar eenhoorns niettemin.[1] De beesten die hij had gezien waren natuurlijk neushoorns en niemand kan het Polo kwalijk nemen dat hij ze identificeerde met eenhoorns. Hoe beschrijft men het compleet onbekende? Door een bekend fenomeen aan te passen, te strepen in de meegebrachte kennis. Dit fenomeen is kenmerkend voor de periode waarin Polo zijn reis ondernam. Waarin door de verovering van de Mongolen de wereld open kwam te liggen voor Europese reizigers. Waar voorheen deze verre gebieden slachtoffer werden van mythische projecties waren ze nu bereisbaar. Dat betekende uiteraard niet dat de mythes van de hand werden gedaan. Ze werden aangepast en kregen een nieuwe plek in het wereldbeeld van de reizigers.

Ook Willem van Rubroek, die ongeveer twintig jaar voor Marco Polo naar het Mongoolse hof reisde, ontdekte dat zijn meegebrachte kennis niet altijd juist was. Voor hem waren het niet de eenhoorns, maar de gigantische honden die volgens Isodorus van Sevilla zo groot en wild waren dat ze stieren en leeuwen aanvielen.[2] Rubroek erkende het bestaan van die bijzondere honden, maar dan ver in het noorden waar ze vanwege hun formaat en kracht net als ossen voor wagens werden gespannen.[3] De sledehonden waren voor Rubroek wat de neushoorns waren voor Polo.

In zijn werk over de middeleeuwse schrijver Gerald van Wales suggereerde Robert Barlett dat in de perceptie van Europese geestelijken die zich bezig hielden met etnografie de wereld werd onderverdeeld in drie cirkels.[4] De binnenste cirkel was de eigen, bekende wereld die geen beschrijving nodig had. De tweede cirkel was de periferie, bevolkt door barbaren met een achtergebleven cultuur maar waar enige interesse voor bestond. De derde cirkel ten slotte was een wereld waar chaos heerste, het mythische droomland met namen als Scythië of India. Kennis over deze gebieden kwam voort uit de Bijbel en schrijvers zoals Plinius, Solinus en Isodorus van Sevilla. Zij plaatsten de meest fantasievolle monsters in deze streken. Niet alleen in ruimte was het ver weg, ook de tijd had er een andere betekenis en was niet lineair zoals in de bekende wereld.[5] Zo werd op middeleeuwse kaarten ook het aardse paradijs, de tuin van Eden, in het oosten geplaatst. Het was als een spiegel die de Europees christelijke angsten bloot legde. Voelde men de angst voor de opkomst van de islamitische volken, dan werden de apocalyptische volken van Gog en Magog in het oosten geplaatst. Waren de kruisvaarders aan de verliezende hand, dan stond Pape Jan op, met een groot christelijk leger om de kruisvaarders tot de overwinning te helpen. Maar wat gebeurt er als deze mythische streken toegankelijk worden? Als men zich niet langer de spiegel hoefde voor te stellen maar er daadwerkelijk in kon kijken?

De opkomst van de Mongolen zorgden voor een verschuiving in het wereldbeeld van de Europeanen. De eerste schok kwam met de Mongoolse inval in Europa rond het jaar 1240. Afkomstig van de derde ring van Barlett waren de Mongolen dwars door de tweede ring tot in de eerste ring doorgedrongen. Het verbaast dan ook niet dat de vreemde veroveraars Tartaren werden genoemd, ofwel ex tartarus. Vanuit het oogpunt van de Europeanen kwamen de Mongolen uit het niets en waren ze nauwelijks menselijk, in de woorden van Matthieu Paris: “Viri enim sunt inhumani et bestiales, potius monstra dicendi quam homines”.[6] De geschiedenis wilde echter dat de Mongolen zich terugtrokken, waarna een tegenovergestelde beweging plaatsvond. De derde ring drong niet langer door tot in de eerste, maar vanuit de binnenste ring werd de buitenste ontdekt. Of beter gezegd, de grenzen van de tweede ring werden verlegd ten koste van de derde. Met de gezantschappen die de paus tussen 1245 en 1248 stuurde naar de Mongoolse Khan ontstond voor het eerst een etnografische interesse in de niet-christelijke volkeren buiten Europa.[7]

De eerste Europese geschriften over de Mongolen kunnen worden opgedeeld in grofweg twee periodes.[8] De eerste periode begint rond 1237 en valt samen met de plotselinge opkomst van de Mongoolse legers. Hier werden de Mongolen beschreven met angst en men zocht naar eschatologische verklaringen bij gebrek aan feitelijke kennis. Met name de Europese bronnen ten tijden van de Mongoolse veldtocht in Europa rond 1240 vallen hier onder. De volgende periode begint in 1245 met de pauselijke missies naar het Mongoolse Rijk, ondernomen door dominicanen en franciscanen. Niet langer kwam de literatuur voort uit een slachtofferrol van Europa maar ging men zelf naar de vijand toe. Inhoudelijk betekende dit in grote lijnen dat men minder op zoek ging naar verklaringen vanuit de Bijbel en oude geschriften maar zelf met een bijna wetenschappelijke nieuwsgierigheid ging reizen.

De bekendste gezant van de paus die in deze tijd naar het Mongoolse hof reisde was Johannes van Pian del Carpine die een uitgebreid verslag naliet van zijn reis. Er waren geregeld contacten tussen de paus en de Mongoolse Khans, maar altijd zonder resultaat. De paus eiste bekering van de Khan, die op zijn beurt de onderwerping van de paus eiste, een cyclus die zich enkele keren herhaalde. Ondanks het geringe resultaat van de reis van Carpine is zijn werk bijzonder waardevol vanwege zijn uitgebreide beschrijvingen van het Mongoolse leven en maatschappij. De gedetailleerdheid van zijn waarnemingen doet wellicht alleen onder aan het verslag van de franciscaner monnik Willem van Rubroek, die in 1453 als vierde Europeaan het Mongoolse hof bereikte, na Carpine, Ascelin en André de Longjumeau. De reis van Rubroek onderscheidt zich van deze eerdere reizen omdat hij niet reisde in opdracht van de paus maar namens koning Lodewijk IX van Frankrijk. Van deze koning, met wie hij goed bevriend was, kreeg hij de opdracht al zijn waarnemingen tijdens de reis uitvoerig te beschrijven.[9] Hoewel men kan twijfelen over het algehele succes van zijn tocht heeft Rubroek deze opdracht uitstekend uitgevoerd en dat heeft geleid tot een bijzonder uitvoerige en gedetailleerde bron over het Mongoolse Rijk.

Rubroek vertrok in 1253 met een klein gezelschap op weg naar de Mongoolse prins Sartach, van wie geruchten gingen dat hij zich had bekeerd tot het christendom. Zijn reisgezelschap bestond uit Bartholomeus van Cremona, die net als Rubroek een franciscaner monnik was, de klerk Gosset die een brief van koning Lodewijk IX aan Sartach droeg, een vertaler en een slaaf, die Rubroek in Constantinopel had gekocht om zijn bezittingen te dragen aangezien hij zelf als bedelmonnik geen bezittingen mocht hebben.[10] Toen Rubroek twee jaar later terugkeerde had hij meer van de wereld gezien dan hij bij aanvang kon vermoeden. Sartach verwees hem door naar Batu, die hem weer doorverwees naar de Khan van de Mongolen: Mangu. Zo was Rubroek de eerste Europese reiziger die tot aan Karakorum, de Mongoolse hoofdstad, reisde.

Onder historici is er steeds meer interesse ontstaan in de geschiedenis van het Mongoolse Rijk. Voor dit vakgebied zijn de bronnen van de Europese reizigers van grote waarde omdat ze als nauwkeuriger worden gezien ten opzichte van andere contemporaine bronnen. Dit heeft echter tot gevolg dat, hoewel de bronnen vaak worden gebruikt, deze zelf niet genoeg zijn onderzocht. Van de verschillende Engelse vertalingen die zijn verschenen van het reisverslag van Rubroek is die van Peter Jackson en David Morgan het meest recent en het compleetst. Dit is de vertaling die in dit werkstuk wordt gebruikt. Naast deze vertaling is er relatief weinig historisch onderzoek verricht naar de bron zelf en de motieven van Rubroek. Met uitzondering van Felicitas Schmieder, die verschillende artikelen heeft gepubliceerd over het onderwerp. Zij legt wat betreft het doel van Rubroek vooral de nadruk op het religieuze motief van bekeren.[11] De meer wereldlijke diplomatieke relaties staan  centraal bij onder meer James Ryan.[12] Deze standpunten zullen later nog uitvoerig terug komen, maar nu kan alvast worden gezegd dat bij het debat hierover de bronnen tussen 1245 en 1253 vaak als een geheel worden beschouwd. Dit doet echter tekort aan het belangrijke gegeven dat Rubroek in tegenstelling tot zijn voorgangers werd gestuurd door een koning in plaats van een paus. In deze scriptie zal ik daarom voor een beter begrip van de Europese belevingswereld en relaties met het Mongoolse Rijk ingaan op de reis van Rubroek. Wat waren zijn motieven en die van koning Lodewijk IX? Uit welke politieke omstandigheden kwam deze reis voort en wat hoopte men te bereiken? En tot slot: was het motief vooral religieus of politiek van aard? Om tot een antwoord te komen op deze vragen zal ik in het eerste hoofdstuk het historische kader schetsen waarin de reis van Rubroek plaatsvond om een beter begrip te krijgen van de drijfveren die hebben geleid tot zijn reis.

 

Hoofdstuk 1

Crisis in Europa

 

Toen Willem van Rubroek aan het hof van de Mongoolse prins Sartach werd gevraagd wie de heerser over alle Franken was, antwoordde hij: “The Emperor, (…) if he held his territory unchallenged”. De Mongool Coiac reageerde: “No, (…) it is the King”.[13] Een franciscaner monnik, onderweg in opdracht van de koning, die zegt dat de keizer de machtigste man is en vervolgens wordt verbeterd door een Mongoolse prins. Het lijkt te mooi om waar te zijn, hoe dit fragment de spanningen die Europa in haar greep hielden samenvat. Waarom antwoordt Rubroek dat de keizer machtiger is dan de koning? En zou de Mongool daadwerkelijk hebben geantwoord dat het de koning was of legt Rubroek hem de woorden in de mond om zo op een veilige manier zijn eigen mening te kunnen geven? In Europa werd een diplomatieke strijd uitgevochten waarbij de macht van de paus, de keizer en de koning op het spel stond. Rubroek stond daar middenin.

Na een lange strijd tussen de Duitse keizer Frederik II en de paus was er nog maar weinig over van de macht die Frederiks voorgangers in handen hadden gehad. Toen Frederik in 1241 aan zijn officieren de opdracht gaf om pauselijke gezanten met een verklaring van excommunicatie te onderscheppen schreef een anonieme waarnemer: “et ecce inmisit Omnipotens nuncios aliquos, at alia nuntiantes”.[14] Niet de pauselijke gezanten vormden het gevaar, maar de Mongolen, speciale gezanten van god. Nadat Frederik was geëxcommuniceerd door de paus verloor hij steeds meer het gezag over zijn keizerrijk en toen hij vijf jaar later stierf was daar niets meer van over. Op het moment dat Rubroek verklaarde dat de keizer de machtigste man in Europa was hield de enige zoon van Frederik de titel van keizer, die in de praktijk bijna geen macht meer had. Nog geen jaar later zou hij overlijden met een lange periode zonder algemeen erkende keizer tot gevolg. De Mongoolse prins aan het hof van Sartach was goed geïnformeerd, want inderdaad was de Franse koning Lodewijk IX op dat moment waarschijnlijk de machtigste man in Europa.

Frederik zelf heeft nooit tegen de Mongolen hoeven strijden, hoewel de eerdergenoemde bron daar duidelijk bang voor was. Dat de Mongolen in aantocht waren was algemeen bekend. Er waren meerdere ultimatums gestuurd naar Europese koningen zoals koning Béla IV van Hongarije en ook Frederik zelf. Toonaangevend voor de naïviteit van de Europeanen was het antwoord van Frederik in 1237 op een Mongoolse uitnodiging om een positie aan het Mongoolse hof aan te nemen, waarin hij cynisch opmerkte dat hij goed was met vogels en dus wel valkenier kon worden.[15] Later moest hij toegeven dat hij te weinig aandacht aan de Mongoolse dreiging had gegeven, wat niet vreemd was aangezien hij in Sicilië zat en zijn handen vol had aan zijn conflict met de paus.[16]

Koning Béla ondervond echter aan den lijve wat het betekende om de Mongolen te negeren toen zijn land in 1241 door drie legers tegelijk werd geplunderd en hij nauwelijks weerstand konden bieden. Ook het Poolse leger, versterkt door verschillende ridderordes, werd vernietigend verslagen bij Legnica. De Mongoolse legers, onder leiding van generaal Subedei, waren in aantallen niet superieur maar hun discipline, organisatie en logistiek waren onovertroffen en de feodale legers van Europa waren kansloos tegenover de Mongoolse oorlogsmachine.[17]  Al sinds de vijfde kruistocht in 1221 circuleerden er berichten in Europa over de Mongolen, maar waar het in eerste instantie een vage dreiging was of ze zelfs hoopvol werden geïdentificeerd met het leger van de mythische en christelijke koning Pape Jan, werd het nu een reëel gevaar. Volgens een contemporaine bron greep de angst om zich heen tot in alle uithoeken van Europa.[18] Béla vroeg meerdere keren om hulp bij zowel de paus als de keizer. Allebei steunden ze Béla in woorden maar niet in daden, beiden met het argument dat de ander militaire actie blokkeerde vanwege het aanhoudende conflict. Keizer Frederik verkeerde op dat moment in Sicilië en deed niet meer dan een brief rondsturen aan de Europese koningen in juli 1241, waarin hij de val van Kiev, de invasie van Hongarije en het toenemende gevaar voor de Duitse staten aankondigde. Ook riep hij op dat iedere koning een bepaalde hoeveelheid soldaten zou leveren om dit gevaar tegemoet te treden.[19] Een brief was echter niet genoeg om de samenwerking van Europese machten te organiseren en terwijl Frederik zich in Sicilië bezig hield met zijn enige echte vijand, de paus, ontstond er geen eensgezinde reactie. Europa had weinig weerstand kunnen bieden als de Mongolen verder waren doorgetrokken. Nog onverklaarbaarder dan hun komst was echter hun terugtocht in 1242, waardoor het grootste deel van Europa gespaard bleef. Of de Mongolen zich terugtrokken door de dood van de Mongoolse Khan Ögedei, het ongunstige terrein van West-Europa, de hoeveelheid kastelen daar of simpelweg de lage verwachtingen van oorlogsbuit blijft onbekend en een twistpunt onder historici,[20] hoewel de dood van Ögedei de meest aangehaalde reden is.[21]

Een paar maanden voordat Ögedei Khan in december 1241 stierf was ook paus Gregorius IX overleden. Zijn opvolger overleed zeventien dagen nadat hij was verkozen tot paus en daarna volgde er bijna twee jaar waarin geen nieuwe paus aantrad als gevolg van Frederiks politieke spel. Uiteindelijk viel de keus in 1243 op Innocentius IV, die een jaar na zijn aanstelling het verlies van Jerusalem moest verwerken, veroverd door een leger uit Chorasmië, dat op de vlucht was geslagen voor de Mongoolse veroveringen in het Midden-Oosten. Hetzelfde Jerusalem dat keizer Frederik vijftien jaar eerder met diplomatieke middelen had ingenomen op de eerste kruistocht zonder pauselijke invloed of oorlogsgeweld. Hierna zou Jeruzalem nooit meer worden heroverd. De nieuwe paus moest na deze zware nederlaag vluchten uit zijn eigen stad, uit angst voor rebellie die werd aangewakkerd door Frederik. Hij vond onderdak bij de vrome Franse koning Lodewijk IX en onder zijn bescherming vond het eerste Concilie van Lyon plaats. Op dit concilie nam de paus, gesteund door onder meer keizer Boudewijn II van Constantinopel, enkele belangrijke beslissingen die bepalend zullen blijken voor het thema van dit onderzoek. Ten eerste werd keizer Frederik afgezet, een beslissing die door Frederik natuurlijk niet ter harte werd genomen maar wel gevolgen had voor zijn populariteit en aanhang. Verder werd een nieuwe kruistocht opgeroepen, de zevende, onder leiding van Lodewijk IX. En tot slot werd er gezocht naar een oplossing voor het probleem van de Mongolen, die nog altijd aan de poorten van Europa stonden. Het voornaamste probleem voor de paus was de gebrekkige en tegenstrijdige informatie over de Mongolen.[22] Naast de gebruikelijke woordelijke acties, zoals het oproepen tot eenheid onder de christelijke volken, werden daarom ook verschillende gezantschappen gestuurd, toevertrouwd aan de Dominicaner en Franciscaner ordes. Naast het verzamelen van zo veel mogelijk informatie moesten zij proberen te bekeren en de schismatische patriarchen in het Nabije Oosten in de armen van Rome brengen. Want, zo hoopte de paus, met de dreiging van de Mongolen zouden zij eerder geneigd zijn zich bij het ware geloof aan te sluiten. Zo vertrokken Johannes van Pian del Carpine, Lawrence van Portugal, Ascelinus van Lombardije en André van Longjumeau met brieven van de paus naar het Mongoolse Rijk. Van deze gezanten bereikte alleen Johannes van Carpine het Mongoolse hof nabij Karakorum en liet tevens als enige een uitgebreid verslag na.[23]

De reis van Carpine was in diplomatiek opzicht geen succes: het antwoord dat hij kreeg van de Khan was weinig minder dan een oorlogsverklaring.[24] Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat de paus een ander antwoord had verwacht. Veel belangrijker was de informatie die Carpine meebracht. Zijn verslag bevat, in tegenstelling tot Rubroeks Itinerarium, gedetailleerde informatie over de Mongoolse militaire organisatie en hoe Europese legers zich daartegen konden verzetten. Zo leert hij bijvoorbeeld: “if the Tartars draw homeward, our men must not therefore depart and break up their bands or separate themselves; because they do this also upon policy, namely, to have our army divided, that they may more securely invade and waste the country”.[25] Dit was zeer waardevolle informatie, gezien het grote succes dat de Mongolen met deze tactiek hadden behaald. De grote mobiliteit van de Mongoolse legers stelden hen in staat om een chaotische aftocht te simuleren om daarna het vijandelijke leger, dat in wanorde de achtervolging inzette, de genadeklap te geven. Dat Carpine deze informatie meenam kon voor de Europeanen het verschil tussen een overwinning en een nederlaag bij een eventueel treffen met de Mongolen betekenen.

Niet lang nadat Johannes van Carpine was teruggekeerd van zijn lange reis vertrouwde de paus hem opnieuw met een delicate missie. Hoewel Innocentius IV tijdens het Concilie van Lyon toestemming had gegeven voor de nieuwe kruistocht van Lodewijk IX, die nog steeds bezig was met de voorbereidingen, was het conflict tussen hem en de afgezette keizer dusdanig opgelaaid dat hij de trouwe koning liever een kruistocht tegen de keizer liet voeren. Carpine, die ongetwijfeld veel respect genoot na zijn reis, werd geschikt geacht om de koning hiervan te overtuigen.[26] Deze was echter vastberaden om zijn kruistocht naar Egypte te leiden. Sinds hij was hersteld van een ernstige ziekte in 1244 had hij deze religieuze missie op zich genomen en wilde daar niet van afwijken. Zijn vroomheid, waar hij in heel Europa bekend om stond, leverde hem dan ook na zijn dood een heiligverklaring op. Daarnaast wilde hij geen positie nemen in het conflict tussen de paus en de keizer.[27] Dat uitgerekend Johannes degene was die naar Lodewijk werd gestuurd betekende echter wel dat Lodewijk naar alle waarschijnlijkheid goed op de hoogte was van de omstandigheden binnen het Mongoolse Rijk. Ook zal hij de brief hebben gelezen die Johannes mee kreeg van Güyük Khan voor de paus, waarin stond geschreven dat de paus persoonlijk en in gezelschap van alle christelijke koningen zich moest onderwerpen aan de Khan. Deed hij dit niet dan zouden alle christelijke landen worden gezien als de vijand.[28] Ook Ascelinus, de andere pauselijke gezant die met een al even zo dreigende boodschap terugkeerde, heeft waarschijnlijk met Lodewijk gesproken voordat hij op kruistocht ging.[29] En als dat nog niet genoeg waarschuwingen waren voor de koning ontving hij volgens Matthieu Paris in 1247 zelf een ultimatum van de Mongoolse Khan, waarvan de inhoud echter niet bekend is.[30] Het lijkt dus uitgesloten dat Lodewijk van tevoren een eventueel bondgenootschap met de Mongolen in gedachten had, iets dat niet lang daarna echter een mogelijkheid zou blijken. In 1248 vertrok Lodewijk IX, met in zijn gevolg onder andere Willem van Rubroek en André van Longjumeau, die eveneens net was teruggekeerd van zijn missie. André van Longjumeau was een getrouwe van Lodewijk IX, die eerder in 1238 de doornenkroon (nu nog te zien in de Notre-Dame in Parijs), gift van keizer Boudewijn II, op had gehaald in Constantinopel.

Voordat de koning met zijn leger Egypte binnenviel trof hij zijn voorbereidingen op Cyprus. Aldaar ontving hij twee gezanten van Eljigidei, de Mongoolse generaal in Perzië, die een merkwaardige brief meebrachten.[31] De gezanten vertelden dat Eljigidei zelf een christen was en in de brief wierp Eljigidei zich op als verdediger van de christenen binnen en buiten het Mongoolse Rijk. Zelfs kondigde hij aan dat hij Bagdad zou gaan veroveren als wraak voor het verlies van Jeruzalem. Om hem te helpen in de strijd tegen de moslims vroeg Eljigidei aan Lodewijk of hij Egypte wilde aanvallen om zijn flank te beschermen. Dat Lodewijk net op weg was naar Egypte was uiteraard geen toeval, Eljigidei had hier kennis van genomen via Ascelinus, een van de pauselijke gezanten.[32] Met deze informatie heeft hij zijn voordeel willen doen en dat leverde deze bijzondere en ongetwijfeld voor de koning verrassende brief op. Uit het antwoord van Lodewijk blijkt dat ook hij het beste wilde maken van deze vreemde samenloop van omstandigheden en een bondgenootschap niet uitsloot. Als antwoord stuurde hij André van Longjumeau, die opnieuw waardevol was gebleken door de brief van Eljigidei te vertalen, samen met zes anderen naar Eljigidei en Güyük Khan. Als geschenk voor de Khan liet de koning voor veel geld een prachtige tent maken van scharlaken, versierd met christelijke symbolen.[33] Ook een stuk hout van het kruis van Jezus werd meegegeven als gift.[34]

Deze missie, die grote gevolgen had kunnen hebben voor de kruisvaarders, liep echter anders dan verwacht. Tegen de tijd dat André van Longjumeau bij Eljigidei aankwam was Güyük Khan overleden en verviel het Mongoolse Rijk in een machtsstrijd. De weduwe van Güyük, Oghul Qaimish, was op dat moment aan de macht en probeerde haar zoon Kaidu op de troon te helpen. Zij ondervond weerstand van een nestoriaans christelijke vrouw, Sorghaqtani, die haar zoon Möngke naar voren schoof met steun van Batu, de leider van de Mongoolse expeditie in Europa. Het politieke evenwicht was hierdoor zodanig verschoven dat Eljigidei zijn geplande verovering van Bagdad moest uitstellen en geen bondgenootschap meer aan durfde te gaan. Hij stuurde André van Longjumeau dan ook door naar Oghul Qaimish, die de giften van Lodewijk ontving als zijnde een onderwerping van het christelijk Europa. Het antwoord bestond opnieuw uit een ultimatum, waarin niet alleen onderwerping werd geëist maar ook grote bedragen aan goud en zilver.[35] Toen koning Lodewijk dit hoorde had hij grote spijt van zijn dure geschenken.Niet alleen zijn gezantschap naar Eljigidei liep anders dan verwacht, ook de kruistocht van de koning liep geheel anders dan voorzien. Na aanvankelijk succes te hebben geboekt bij de verovering van Damietta ging alles mis. Zijn leger werd verslagen door de Egyptenaren, met name vanwege hulp van de Mamelukken, die door deze overwinnen aan de macht kwamen ten koste van de Ajjoebiden en later de Mongolen hun eerste grote nederlaag zouden bezorgen. Voor een gigantische som losgeld werd Lodewijk vrij gekocht, waarna hij naar de laatste overblijfselen van de kruisvaardersstaten trok.

Ook Willem van Rubroek ging met koning Lodewijk mee. Nadat André van Longjumeau van zijn mislukte missie was teruggekeerd was het de beurt van Rubroek om naar het Mongoolse hof te reizen. Niet meer met grote geschenken maar in armoede zoals het een lid van de franciscaner orde betaamde. Niet meer met grote diplomatieke bedoelingen maar met simpele brieven, opdat er geen misverstand meer kon bestaan. Nu zal duidelijk worden waar de onzekerheid over het karakter van Rubroeks reis vandaan komt. Was hij een nieuw experiment van Lodewijk, die niet nog een keer dezelfde fout wilde begaan om met diplomatieke middelen toenadering te zoeken, maar nog steeds interesse had in een eventueel bondgenootschap? Of ging Rubroek uit eigen vrije wil en had zijn tocht niets te maken met de mislukking van André van Longjumeau? Moeten we Rubroek in verband brengen met de mislukte kruistocht en de militaire en psychologische gevolgen daarvan? Of had Rubroek niets te maken met dit verlies en lagen zijn interesses bij de verspreiding van het christendom via bekeringen in plaats van militaire kruistochten? In het volgende hoofdstuk volgt een overzicht van het historiografische debat dat om deze vragen wordt gevoerd.

 

Hoofdstuk 2

Het debat: paus of koning?

 

Het christelijke Europa was niet onbekend met invasies van buitenaf. Vikingen, Hunnen, Magyaren en islamitische volkeren, altijd dreigde er wel een invasie aan de grenzen van het christendom. Maar vanaf het moment dat de Mongolen aan de horizon van Europa verschenen was duidelijk dat dit iets geheel anders was. Tot dan toe werden nieuwe en onbekende volkeren beschreven in bekende termen zoals Hunnen of Hongaren. Maar nu was vanaf het begin duidelijk dat deze termen niet van toepassingen waren op dit nieuwe gevaar. De vraag was daarom ook niet of eschatologische verklaringen nodig waren, maar welke precies. Dat de komst van de Mongolen als een grote verrassing kwam heeft te maken met de expansiedrift die Europa de eeuwen daarvoor in haar greep hield. Juist op het moment dat de wereld steeds meer werd ontdekt en het christendom zich verspreidde kwam een vreemd volk onverwacht vanuit een nog verder verwijderde wereld. Dit maakte de schok groot en zorgde voor nieuwe uitdagingen voor de paus, die zijn macht in de eeuw daarvoor flink had uitgebreid. Niet alleen werd het als vanzelfsprekend beschouwde etnocentrisme in Europa uitgedaagd, ook ontstonden er prangende vragen over het idee dat de hele wereld moest worden bekeerd voor de dag des oordeels, dat aanstaande was.[36]

Rubroek maakte als lid van de franciscaner orde deel uit van de veranderende wereld omdat deze orde vanaf haar oprichting het bekeren van andere volkeren als doel had. Over de motivatie van de franciscanen en de rol van de paus bij de bekeringsmissies verschillen de meningen onder historici. Het debat kan worden onderverdeeld in drie onderwerpen. Ten eerste de vraag of de missies naar de Mongolen diplomatiek of religieus van aard waren. Ten tweede staat de rol van de paus ter discussie, waarbij het vooral gaat over de vraag of de missies een teken waren van groeiende pauselijke macht.[37] En het derde vraagstuk, waar in dit hoofdstuk niet verder op in zal worden gegaan, behelst het succes van de missies. In dit hoofdstuk volgt een schets van de verschillende standpunten met betrekking tot deze onderwerpen.
Het historiografische debat over de diplomatieke dan wel religieuze karakter van de reis van Rubroek gaat over nuances. Uit het verslag van Rubroek komt namelijk geen eenduidig beeld naar voren. Dit blijkt al uit het begin van zijn verslag, waar hij bij aankomst in Constantinopel ontkende dat hij een diplomaat in naam van de koning was.[38] In plaats daarvan was het hem te doen om volgens de regels van de franciscanen de prediken onder de ongelovigen. Kooplieden waarschuwden hem echter dat hij zich beter kan voordoen als diplomaat, omdat de Mongolen hem anders niet zouden helpen bij zijn reis. [39] Vanaf dat moment doet Rubroek zich op momenten dat het nodig is voor als diplomaat en op momenten dat het kan richt hij zich op het missionariswerk.

De discussie die hier over wordt gevoerd heeft dus te maken met de manier waarop de bron wordt gebruikt. De meeste historici leggen de nadruk op het bekeren. Dat ligt voor de hand gezien de franciscaner achtergrond van Rubroek en omdat hij een verzameling Bijbelse geschriften meenam.[40] Ook geeft Rubroek aan dat een verhaal over een groep christelijke Duitse slaven in het Mongoolse Rijk een motief was om de reis te ondernemen.[41] Hij wilde hen spirituele ondersteuning bieden maar helaas heeft hij deze gevangenen nooit kunnen vinden. Dit is voor veel historici, met name Peter Jackson, reden om de missie van Rubroek te bestempelen als puur missionair.[42] Opvallend is dat Jackson en gelijkgezinden nooit nalaten kritisch op te merken dat er nog steeds historici zijn die de missie ten onrechte als diplomatiek bestempelen, waarbij echter wordt verwezen naar een relatief onbekend en gedateerd Frans boek.[43] Hoewel deze opmerkingen doen vermoeden dat er historici zijn die de missionaire kant ontkennen is dat nauwelijks het geval. Er zijn echter wel argumenten om de diplomatieke kant van zijn missie meer te belichten.

Ten eerste gaf Rubroek zoals eerder vermeld zichzelf uit als diplomaat. Hoewel hij zelf beweerde dat dit was om hulp van de Mongolen bij zijn reis te krijgen betekent dit in feite dat zijn reis een diplomatiek karakter had. Dit is ook de reden dat Rubroek door Sartach naar de Khan werd gestuurd. Sartach vatte de brief van koning Lodewijk namelijk op als een vredesverzoek en dat ging hem te boven. Volgens Schollmeyer was dit echter het resultaat van een verkeerde vertaling en was de brief van Lodewijk vooral een aanbevelingsbrief om Rubroek tijdens zijn reis te ondersteunen.[44] Dat de brief verkeerd was vertaald klopt, maar wat er zeker wel in stond was een oproep van Lodewijk aan Sartach om een vriend te worden van de christenen en een vijand van al haar vijanden.[45] Hoewel dat geen directe vraag naar troepen was, zoals in de foutieve vertaling stond, was het wel degelijk van militaire aard: “urging him to be a friend to all Christians, to exalt the Cross, and to be the enemy of all who are enemies to the Cross.”[46]

Een andere factor die meespeelde was de missie van André van Longjumeau, die in het vorige hoofdstuk is beschreven, waarbij het vredesvoorstel van de koning werd gezien als een onderwerping. Lodewijk zal dus bij het sturen van een nieuwe missie goed hebben overwogen in wat voor vorm dat zou moeten plaatsvinden. Het lijkt dus niet onwaarschijnlijk dat Rubroek bewust door Lodewijk werd gestuurd als missionaris, zodat hij een diplomatieke functie kon vervullen zonder dezelfde fout te begaan. Marina Münkler beschrijft het als een verstandhouding tussen de koning en Rubroek, waarbij het persoonlijke motief van Rubroek waarschijnlijk missionair van aard was, maar hij voor de koning een rol als diplomaat vervulde, samen met het verzamelen van zo veel mogelijk informatie.[47]

Het volgende thema waar de meningen meer verschillen is de rol en invloed van de paus. Dit heeft alles te maken met het vreemde karakter van de reis van Rubroek. Waar eerdere missies die door de paus werden gestuurd een uitgesproken diplomatiek doel hadden, was deze missie die de koning stuurde vooral missionair. Het lijkt een vreemde paradox, dat de paus de wereldlijke betrekkingen met de Mongolen onderhield en de koning juist de geestelijke. Dit heeft alles te maken met de toenemende macht van de paus en de rol die religie speelde bij wereldlijke bondgenootschappen. De vraag die hieruit naar voren komt is of de bekeringsmissie voortkwam uit die toenemende pauselijke macht of juist een diplomatieke achtergrond had met betrekking tot de kruistochten. Daar spelen twee grote belangen in mee. Ten eerste was een eventueel bondgenootschap tussen christenen en heidenen waarschijnlijk zo goed als onmogelijk. Het was dus voor de koning zaak om, als hij een bondgenootschap met de Mongolen voor ogen had, de Mongoolse Khans te bekeren. Aan de andere kant was de paus zijn wettelijke macht aan het uitbreiden en maakte hij aanspraak op de wereldheerschappij. Voor hem was het zaak om de Mongolen te bekeren vanwege het naderende einde der tijden. Over het belang van deze twee invalshoeken is men het niet eens.

Felicitas Schmieder legt vooral de nadruk op het belang van de paus bij het bekeren van de Mongolen.[48] Zij redeneert dat voor de komst van de Mongolen de wereld werd gezien als geheel in de oudheid omschreven en vastgelegd. Het was de orbis terrarum, de wereld die volgens de Bijbel moest worden bekeerd en zo binnen de orbis christianus moest worden gebracht. In het begin van de dertiende eeuw was de macht van de paus zich aan het uitbreiden, net zoal de orbis christianus. Aangezien in de Bijbel staat dat de hele wereld moest worden bekeerd rekende de paus zichzelf in essentie als het hoofd van de hele orbis terrarum en was hij volgens het canonieke recht als plaatsvervanger van Christus de heerser over alle mensen. Over de gebieden die nog niet waren bekeerd en waar de paus geen letterlijke macht had claimde hij wel wettelijke macht. Het eschatologische aspect van het naderende einde der tijden en de groeiende macht van de paus culmineerde in de pauselijke bul Cum hora undecima, voor het eerst uitgegeven door paus Gregorius IX in 1235. De eerste zinnen (“sinds het elfde uur…”) maken de eschatologische achtergrond van deze bul duidelijk. Met deze bul stimuleerde de paus voor het eerst bekeringsmissies naar volken in Azië en Afrika. De franciscaner en dominicaner bedelorden, bij wie bekeren sinds hun oprichting al een belangrijke rol had gespeeld, werden de voetsoldaten aan het front van deze nieuwe pauselijke strategie. In de bul, die door Innocentius IV met enkele wijzigingen in 1245 werd vernieuwd, kregen deze missionarissen speciale privileges en stond een lijst van de te bekeren volkeren. Volgens Schmieder zette de paus zo zijn claim op de wereldheerschappij kracht bij en reageerde hij met deze bul op de dreiging van de Mongolen.[49] Hoewel zij Rubroek niet expliciet noemt in haar artikel suggereert ze hiermee dat hij in naam voor de koning werkte maar in werkelijkheid een agent was van de paus en volgens de oproep in de nieuwe bul ging bekeren.

Hoewel Schmieder hiermee een degelijk argument neerzet voor de betrokkenheid van de paus bij de nieuwe bekeringsmissies blijft het moeilijk om het verband tussen de pauselijke decreten en de daadwerkelijke missies aan te tonen. Amanda Power wijst bijvoorbeeld op de innige samenwerking tussen de vrome koning Lodewijk en de twee bedelorden.[50] Het initiatief lag na de mislukte pauselijke missies naar de Mongolen volgens haar bij de koning en de franciscanen. De invloed van de pauselijke bul was dus gering, niet meer dan een officiële stempel op iets dat al gaande was. Vreemd is wel dat zij de pauselijke missies naar de Mongolen definieert als missionair, terwijl die missies over het algemeen als diplomatiek worden gezien.[51] Ook schrijft ze dat Lodewijk, na de mislukte eerste missie van De Longjumeau, met tegenzin Rubroek liet vertrekken op eigen initiatief.[52] De passage die ze hier citeert levert daar echter geen bewijs voor, er staat slechts dat Rubroek uit eigen beweging en “in accordance with our Rule” ging.[53]. De opvatting dat Rubroek en andere missionarissen na hem vooral op eigen initiatief vertrokken wordt gedeeld door James Ryan[54] en in navolging van hem Peter Jackson.[55] Volgens Ryan was de pauselijke invloed gelimiteerd tot het geven van speciale privileges aan de bedelorden. Het initiatief om daadwerkelijk de reis te ondernemen lag bij de individuele monniken en niet bij de paus of de koning. De rol van de paus wordt volgens Ryan overdreven omdat het merendeel van de overgebleven bronnen brieven van en naar de paus zijn.

Het belangrijkste dat uit het debat over de initiatiefnemers kan worden afgeleid is de grote belangenverstrengeling die plaatsvond. De meeste artikelen proberen een facet te belichten en het belang ervan de onderstrepen. Dat is nuttig voor het academische debat dat wordt gevoerd, maar het lijkt er op dat de conclusie moet zijn dat er heel veel belangen meespeelden bij de bekeringsmissies. De belangrijkste hiervan kunnen worden teruggeleid tot een driehoek: die van de paus, koning en bedelorden. Ieder van deze drie partijen had eigen belangen en doelen. In het midden van de driehoek stond Rubroek zelf. Met een brief van de koning, in een context die was bedacht door de paus en met een achtergrond als monnik van de franciscaner orde ondernam hij zijn reis en uiteindelijk was het hijzelf die koos welke belangen hij wilde behartigen. In het volgende hoofdstuk volgt daarom een meer persoonlijke benadering van Rubroek. Maar eerst nog een toevoeging op het eerder genoemde debat.

Zoals eerder vermeld stond er in de Cum hora undecima bul een lijst met te bekeren volken. Schmieder behandelt deze bul uitgebreid in haar artikel, maar laat een belangrijk gegeven slechts in een voetnoot voorkomen. Namelijk dat de Mongolen pas in 1253 aan deze lijst met volkeren werden toegevoegd.[56] Dit feit lijkt in te gaan tegen het door Schmieder beschreven doel van deze bul: het uitdragen van de pauselijke macht door middel van bekeringsmissies bij andere volken. Op het moment dat de bul door Innocentius IV in 1245 werd vernieuwd waren de Mongolen al lange tijd bekend in Europa en waren er zelfs al berichten van christenen onder de Mongolen. Waarom werden de Mongolen op dat moment niet opgenomen in de bul? Er zijn waarschijnlijk twee verklaringen. Ten eerste begon de kruistocht van Lodewijk in 1248 en leed hij zijn dramatische nederlaag in 1250. Op het moment dat de bul in 1253 werd vernieuwd was dit nieuws dus bekend bij de paus. Ook zal hij hebben vernomen van de brief van Eljigidei en de reis die André van Longjumeau daarna maakte. Kortom, het idee van een bondgenootschap met de Mongolen begon vaste vorm te krijgen. Het was op pijnlijke wijze gebleken dat de kruisvaarders in militair opzicht niet sterk genoeg waren dus hulp van de Mongolen was hard nodig. Het probleem was echter dat het onmogelijk was om met niet-christenen een bondgenootschap te sluiten. Dus volgde het opnemen van de Mongolen in Cum hora undecima. Waarom dan niet eerder? De tweede reden kan liggen in de onverwachte opkomst van de Mongolen. Zoals in de inleiding beschreven kwamen de Mongolen vanuit Europees oogpunt vanuit de derde ring van Barlett. Dit betekent dat ze niet alleen van buiten de orbis christianus kwamen, maar ook van buiten de orbis terrarum, die immers in de Oudheid al was beschreven en waar de Mongolen niet in voor kwamen. Moesten de Mongolen dan wel worden bekeerd voor het naderende dag des oordeels? Wat opvalt in de overgebleven reisverslagen van de eerste missies naar de Mongolen (met name Carpine en Rubroek), is de nadruk op de menselijkheid van de Mongolen. Ze zijn dan wel barbaars, maar dat viel te verwachten. Belangrijker was dat het hier ging om mensen en niet om duivels of demonen, zoals in Europa aanvankelijk werd aangenomen. Er waren geen Plinische monsters, geen priesterkoning en ook de tuin van Eden was nergens te bekennen. Wellicht kan er dus een aspect aan de missies worden toegevoegd, namelijk het ontdekken of de Mongolen menselijk waren, binnen de orbis terrarum vielen en dus wel of niet geschikt waren voor bekering.

 

Hoofdstuk 3

De woorden van Rubroek

 

Nu de historische context en het wetenschappelijke debat over Rubroek duidelijk zijn geworden blijft de kern over: de tekst zelf. Over Rubroek zelf is bijzonder weinig bekend, de enige overgebleven kennis over zijn leven is zijn eigen werk. Zijn Itinerarium verwierf tijdens zijn leven nooit enige bekendheid zodat er, in tegenstelling tot de tekst van Carpine, slechts vijf kopieën zijn overgebleven, waarvan drie zich in het Corpus Christi College in Cambridge bevinden.[57] Waar het werk van Carpine meteen een belangrijke bron werd voor de omvangrijkste encyclopedie van de Middeleeuwen, de Speculum Maius van Vincent van Beauvais, is de enige overgebleven contemporaine bron die gebruik maakt van het de kennis van Rubroek de Opus Maius van Roger Bacon.[58] Het is waarschijnlijk ook aan hem te danken dat er nog kopieën van het Itinerarium zijn overgebleven.[59] Pas meer dan drie eeuwen later, in 1598, werd de tekst ontdekt en vertaald door Richard Hakluyt.[60] Ten tijde van Rubroek werd zijn verslag als weinig informatief en te persoonlijk gezien, maar eeuwen later was dit beeld veranderd en toen Hakluyt de tekst vertaalde was de interesse in persoonlijke reisverslagen juist heel groot. Sindsdien won het Itinererarium, zoals het bij gebrek aan een duidelijk titel werd genoemd, steeds meer bekendheid. Tegenwoordig wordt de tekst door historici alom geprezen, in tegenstelling tot de tekst van Carpine. Olschki noemt het bijvoorbeeld “One of the most original and interesting masterpieces in the whole of medieval Latin literature”[61] en volgens Cambell is het “the high water mark of literary excellence among the travel accounts of the Middle Ages”.[62] Wat maakt Rubroek zo bijzonder dat hij destijds geen aandacht trok maar tegenwoordig zo veel lof krijgt? En wat kan de tekst zelf, de vorm en de ontvangst vertellen over het doel van Rubroek?

De openingszinnen van het Itinerarium zijn bijzonder veelzeggend, vooral als die naast openingszinnen van andere reisverslagen worden gehouden. Na de verplichte groet aan koning Lodewijk zegt Rubroek: “It is written in Ecclesiasticus of the wise man: ‘He shall pass into the country of strange peoples; he shall try good and evil in all things.’ This task I have accomplished, my lord King; but may it have been as a wise man and not as a fool. For many do what a wise man does, yet not in a wise manner but foolishly rather, and I fear I am one of them.”[63] Deze zin maakt een aantal dingen duidelijk. Meteen valt hier het persoonlijke karakter op. Rubroek stelt zich voor aan de lezer en geeft aan dat hij twijfels heeft bij zijn acties. Deels was het conventioneel voor monniken van een bedelorde om zich nederig tegenover de adel op te stellen, maar het maakt Rubroek heel duidelijk menselijk. De auteur is iemand die nadenkt over de manier waarop hij zijn reis heeft ondernomen en zijn twijfels daarover deelt. Daar blijkt ook uit dat dit een brief is aan iemand met wie Rubroek een persoonlijke band had. Het was niet bedoeld om door een groter publiek gelezen te worden. Vergelijk dit met de opening van Carpine en het contrast wordt duidelijk: “There is towards the east a land which is called Mongol, or Tartary, lying in that part of the world which is thought to be most north-easterly”.[64] Hier is het begin van een encyclopedie, er worden feiten verkondigt over verre streken die niemand nog heeft gezien. De auteur stelt zich niet voor, hij is niet belangrijk. Een groot deel van het verslag van Carpine gaat op deze wijze verder, zonder de verteller te introduceren. Wanneer de reis zelf dan wordt beschreven is dat op feitelijke toon, een verslag van wat ze hebben gezien. De reiziger is dan slechts een middel voor de lezer om kennis op te doen over de bezochte landen. Ook de opening van het reisverslag van Marco Polo vormt een groot contrast met dat van Rubroek: “Emperors, kings, dukes, marquises, counts, knights, and all persons wishing to know the various generations of men in the world, also the kingdoms, provinces, and all the regions of the East, read this book: in it you will find very great and wonderful things (…). In the present work Messer Marco Polo, a prudent and learned citizen of Venice, relates in order the various things which he himself saw, or heard from men of honour and truth”.[65] Marco Polo wordt voorgesteld, maar net zoals Carpine is hij het middel, de ogen en oren van de nieuwsgierige lezer. Zijn persoonlijke verhaal is niet belangrijk, men wil weten van de wonderen in het verre oosten.

In tegenstelling tot Carpine en Polo staat Rubroek midden in zijn verhaal. Dat is een van de redenen dat zijn tekst voor moderne historici zo bijzonder is: het geeft een beeld van hoe het moet zijn geweest om als Europeaan in die tijd door Azië te reizen. Geen veldslagen, mythes of wonderen vullen het Itinerarium maar de wereld zoals die door Rubroek werd ervaren. Zelfs als Carpine midden in de winter over de steppe reist blijft zijn verslag feitelijk: “we travelled all winter long, lying in the deserts oftentimes upon the snow, except with our feet we made a piece of ground bare to lie upon. (…) And oftentimes in the morning we found ourselves all covered with snow driven over us by the wind.”[66] Het is bijna niet voor te stellen hoe zwaar deze reis was, maar Carpine brengt het alsof het een rondje om de kerk is. Ook Rubroek heeft last van de kou, maar hier is de pijn voelbaar: “That morning the tips of my toes froze, with the result that I could no longer go around barefoot. The cold in those regions is most intense”.[67] Deze passage geeft niet alleen de lichamelijke pijn aan, ook is het indirect een vernedering. Een aantal alinea’s daarvoor lezen we dit: “People gathered round us, gazing at us as if we were freaks, especially in view of our bare feet, and asked whether we had no use for our feet, since they imagined that in no time we should lose them.”[68] Wat Rubroek hier tussen de regels door vertelt is heel bijzonder. Ten eerste schrijft hij dat hij wordt aangekeken alsof hij een monster is, iets dat in andere middeleeuwse reisverslagen ondenkbaar is. Hier spreekt hij als verteller niet vanuit zichzelf, maar verplaatst hij zich in de Mongolen om door hun ogen zichzelf te beschouwen. Vervolgens zegt hij niet veel later dat ze gelijk hadden. Het was inderdaad gestoord om op blote voeten rondgelopen. Omdat hij vasthield aan de Europese gewoontes bevroren zijn tenen. Rubroek begrijpt dat de Mongolen hem voor een idioot hielden en trekt zijn schoenen aan.

Op het moment dat Rubroek voor het eerst onder de Mongolen komt zegt hij: “I really felt as if I were entering some other world”.[69] Is het een vreemde wereld? Een mysterieuze, kwade, wonderlijke of slechte wereld? Nee, het is een andere wereld. Het is een wereld waar reizen grote uitdagingen met zich mee brengt, vooral voor een buitenstaander. Er zijn maar liefst vier momenten in het verslag wanneer Rubroek en de zijnen door honger en ellende bijna sterven.[70] Een voorbeeld dat prachtig aangeeft hoe Rubroek midden in zijn verhaal staat en omgaat met alle ontberingen is deze, in een kamp op weg naar Sartach: “When we sat underneath our wagons, moreover, for the sake of shade, the heat there being intense during that season, they would crowd in on us so persistently that they trampled on us in their desire to see all our effects. If they were seized by an urge to void their bowel’s, they moved away from us no further than one could toss a bean, in fact, they would do their filthiness next to us while talking to one another. And they did a great deal more that was excessively tiresome”.[71] De lezer leert hier niets over koningen en koninkrijken, maar de ervaring van reizen is onmiskenbaar, ook voor de moderne reiziger. De hitte van de zon en de opdringerige mensen met andere gewoontes en hygiëne worden omschreven op een manier die de lezer doet meeleven met de reiziger. Het is om dit soort passages dat Campbell de tekst “eerily modern” noemt.[72] Maar hoe zwaar Rubroek het ook heeft, in de volgende alinea geeft hij aan dat hij de taal aan het leren is. De mensen die Rubroek ontmoet zijn uit een andere wereld en toch wil hij met ze communiceren en over ze leren.

De ambivalentie van ontberingen en interesse loopt als een rode draad door het verhaal heen. Rubroek weerhoudt zich niet van oordelen geven over de dingen die hij ziet. Zo zegt hij bijvoorbeeld over een Mongoolse prinses: “I was really under the impression that she had amputated the bridge of her nose so as to be more snubnosed, for she had no trace of a nose there, and she had smeared that spot and her eyebrows as well with some black ointment, which to us looked thoroughly dreadful.”[73] Rubroeks aandacht voor details zoals een neus of de eerder genoemde tenen zijn al bijzonder, maar zouden niet opvallen als hij niet iedere keer probeert nuance te geven. In dit geval heeft hij eerder geschreven: “The women are astonishingly fat. The less nose one has, the more beautiful she is considered; and they disfigure themselves horribly, moreover, by painting their faces.”[74] Rubroek oordeelt over wat hij lelijk vindt, maar geeft tegelijkertijd toe dat dit door Mongolen mooi wordt gevonden. Soms is Rubroek ook simpelweg positief over Mongoolse gewoontes. Ze hebben “sausages that are superior to pork ones”[75], ze maken “very fine shoes”[76], en een bepaalde alcoholische drank is “a really delightful drink and fairly potent”, hoewel: “it markedly brings on urination”.[77] Deze voorbeelden tonen aan dat Rubroek niet schroomt zijn mening te geven maar dat ook in positieve zin durft te doen. Münkler constateert hier een tegenstelling, die van het geciviliseerde en het barbaarse. Volgens haar komt die tegenstelling voort uit de potentiële bekering. Een volk dat moet worden bekeerd moet in de eerste plaats geschikt zijn voor bekering en dus een zekere mate van civilisatie en rationaliteit bezitten. Aan de andere kant moet het een barbaars volk zijn om dat overtuigingskracht van het christendom te laten zien wanneer de bekering is gelukt.[78]

Dit argument wordt ondersteund door de opmerkelijk negatieve houding van Rubroek ten opzichte van de christenen die zich al onder de Mongolen bevinden, met name de Nestorianen: “The Nestorians there are ignorant. They recite their office and have the Holy Scriptures in Syriac, a language they do not know, so that they chant like the monks among us who know no grammar; and fort this reason they are completely corrupt. Above all they are usurers and drunkards”.[79] Zelfs zijn de Nestorianen de oorzaak van het misverstand dat Sartach en andere Mongoolse Khans christelijk zouden zijn: “For this is the way with the Nestorians who come from these parts: they create big rumours out of nothing. Consequently they have spread word that Sartach was a Christian, and Mangu Chan and Keu Chan as well, inasmuch they show a greater respect for Christians than for other peoples. And yet the fact is that they are not Christians.”[80] Op precies dezelfde manier is de legende van Pape Jan volgens Rubroek de wereld in geholpen: “The Nestorians called him King John, and only a tenth of what they said about him was true.”[81] Dat Rubroek negatiever is over de ketterse christenen dan over de Mongolen ondersteunt Münklers argument omdat deze Nestorianen niet geschikt zijn voor bekering. Ze zijn immers al christelijk maar hebben zich op het foute pad begeven en dat valt niet meer te herstellen. Duidelijker wordt het niet wanneer Rubroek over de Nestorianen zegt: “For the lives of the Mo’als, and even of the tuins (that is, the idolators), are more blameless than their own”.[82] Dat Rubroek de gewoontes van de Nestorianen kwalijker vindt dat die van de Boeddhisten (Tuins) is opzienbarend, aangezien hij tijdens een religieus debat aan het Mongoolse hof bondgenoten zoekt in de islamitische vertegenwoordigers tegen deze Boeddhisten: “since the Saracens agree with us in saying that there is one God and therefore provide allies for us against the tuins”.[83] Dat Rubroek de moslims, op dat moment de aardsvijand in het Midden-Oosten, als hoger beschouwt dan de Boeddhisten, en de Boeddhisten weer hoger dan de Nestorianen, zegt bijzonder veel over zijn afkeer tegenover deze christenen.

Wat kan de persoonlijke stijl van Rubroek vertellen over het doel van zijn reis? Hoewel Rubroek werd gestuurd door de koning blijkt nergens uit dat die opdracht ook zijn persoonlijke motivatie was. Die motivatie was in eerste plaats spiritueel van aard. Zijn reis wordt gekenmerkt door vernedering en nederigheid. “It was there that I experienced what a martyrdom it is, when destitute, to give bountifully”[84] De ervaring staat centraal. Rubroek is geen diplomaat zoals Carpine en geen koopman zoals Polo. Hij is niemand, een simpele prediker die een reis onderneemt als levensles. Hij gaat om de vraag die hij in het begint stelt te beantwoorden: ben ik een goed mens of een slecht mens? Het antwoord heeft hij niet kunnen vinden, maar de lange weg ernaartoe heeft hij ervaren. Omdat er zo weinig over Rubroek bekend is en omdat er zo veel belangen meespeelden is het verleidelijk om zijn reis in een groot kader te plaatsen van diplomatie tussen koningen en Khans en bekeringsmissies van pausen. Dat is het gevaar van geschiedenis, de persoon te vergeten ten koste van het grote verhaal.

Rubroeks opvallende talent van zelfreflectie kan wel worden herleid tot zijn achtergrond als franciscaner monnik en het kader dat de paus opzette voor de bekeringsmissies. Om ongelovigen te kunnen bekeren moet je als bedelmonnik uitstekend in staat zijn om je te verplaatsen in de ander en door de ogen van de ander jezelf te beschouwen. De monnik moet overtuigend overkomen en omdat te kunnen doen moet hij weten wat in de ogen van de ander overtuigend is. Daarnaast moet hij de bevindingen die hij opdeed tijdens deze zoektocht goed omschrijven om eventuele nieuwe bekeringsmissies deze kennis mee te geven. Hij was, in de woorden van Campbell, een “guinea pig missionary”.[85] De ervaringen van Rubroek konden van levensbelang zijn om de toekomstige missies te laten slagen. Hij weet dan ook vanuit zijn eigen mislukking een les door te geven: “I regard it as inadvisable for any friar to make any further journeys to the Tartars, as I myself did or as the Preaching Friars are doing”.[86] In plaats daarvan zou de paus een bisschop moeten sturen, die meer aanzien zou hebben bij de Mongolen. De praktische Rubroek merkt daarbij wel op in de laatste regel van het Itinerarium: “though he would have need of a good interpreter –several interpreters, in fact- and plentiful supplies.”[87]

De persoonlijke stijl van Rubroek kan ook een verklaring zijn voor de onbekendheid van zijn verhaal. Teksten als die van Carpine en Polo staan vol wonderen en het was voor iedere kopiist verleidelijk om iets toe te voegen om het allemaal nog net iets mooier te maken. Het is daarom dat er zo veel verschillende edities van deze teksten zijn overgebleven. Ook de potentiële lezers wilden wonderen zien, zich verbazen en kennis opdoen over de verre oorden, waarbij de feitelijkheid van die kennis van ondergeschikt belang was. Het verslag van Rubroek echter is te persoonlijk, dat kan niet worden aangepast door kopiisten en daarom zijn er zo weinig versies overgebleven. Het was zijn ervaring en daar kon niemand wat aan toevoegen. Voor lezers was het te specifiek zijn reis, een persoonlijk karakter en objectiviteit dat pas eeuwen later populair zou worden. Het reisverslag kon dus alleen interessant zijn voor andere monniken die dezelfde tocht wilden ondernemen. Op een bepaalde manier heeft Rubroek hier zijn eigen tekst in de vergetelheid geholpen door het enige publiek dat interesse kon tonen in zijn werk te ontmoedigen om hetzelfde te doen en dus zijn werk te lezen.

 

Conclusie

 

De onduidelijkheid die bestaat over het doel van Rubroeks reis komt vooral voort uit de verwarring die hij er zelf over schept. Nergens geeft hij eenduidig aan waarom hij ging. In het verslag komt zijn doel meerdere malen ter sprake omdat de Mongolen daar vaak naar vragen, maar zijn antwoorden verschillen van elkaar. Er zijn drie belangrijkste motivaties aan te wijzen die naar voren komen in het Itinerarium. Ten eerst dat het zijn eigen beslissing was om te gaan, volgens de regels van de Franciscaner orde, om het christendom te brengen naar de Mongolen.[88] Tegen Mangu Khan zegt hij: “It is our task to teach men how to live in accordance with God’s will, and for that purpose we came tot these parts”[89] Zoals eerder echter al is gebleken was het een bewuste keuze om de retoriek van een bekeringsmissie zonder politieke intenties te handhaven omdat de eerdere diplomatieke missie van koning Lodewijk mislukte. We kunnen daarom niet direct aannemen dat wat Rubroek tegen de Mongolen zei ook daadwerkelijk zijn motief was. De tweede reden die hij aanhaalt is de brief van koning Lodewijk: “I told them (…) that we had heard Sartach was a Christian and that I wanted to visit him because I had your letter to deliver to him”.[90] Wanneer hij vervolgens wordt gevraagd of hij uit eigen beweging ging of in opdracht van de koning antwoordt hij: “I was going both of my own accord and also at the wish of my superior”. [91] Rubroek doet er alles aan om de Mongolen te laten geloven dat hij niet zonder meer een gezant van koning Lodewijk was, maar kan dat niet helemaal ontkennen gezien hij diens brief met zich meedraagt. Tot slot is de derde reden praktischer, namelijk de Duitse slaven over wie hij van André van Longjumeau had gehoord. Hij wilde deze slaven geestelijke steun geven en zegt over hen zelfs: “who were my chief reason for going there”.[92] Deze slaven heeft hij nooit gevonden, maar hij ooit wil hij terugkeren om ze alsnog te vinden.[93] Rubroek noemt de slaven echter zo weinig in zijn verslag dat het onwaarschijnlijk lijkt dat zij een belangrijke rol hebben gespeeld bij Rubroeks motivatie om een zo grote reis te ondernemen.

De persoonlijke stijl van Rubroek geeft zijn verhaal een zekere geloofwaardigheid. Toch is het, zoals in het voorbeeld hierboven van drie verschillende motieven, niet altijd duidelijk of Rubroek de waarheid spreekt. Zo zegt hij bijvoorbeeld tegen de Khan: “I am unaware of my masters’ plans, but I have their authority to visit any place I wish where the word of God needs preaching”.[94] Hij laat hierdoor een beeld ontstaan van zelfstandigheid, waarbij het christendom verspreiden zijn primaire doel is en de wereldlijke leiders geen gezag over hem hebben. Toch blijkt het tegenovergestelde als hij later terugkeert. “The Minister determined that I was to teach in Acre and would not let me join you, ordering me to send in writing, by the bearer, what I wished to say. I did not dare to oppose him”.[95] Hieruit blijkt dat hij niet geheel zelfstandig kan opereren en zijn bewering tegenover de Khan kan dan ook niet anders dan uitvergroot zijn. Ook de rol van Rubroek tijdens het religieuze debat aan het hof van de Khan, dat vaak wordt gezien als het hoogtepunt van het Itinerarium, wordt door onder andere Peter Jackson in twijfel getrokken.[96] De heroïsche rol en grote retorische vaardigheden die Rubroek zichzelf in die passage toebedeelt lijken te mooi om waar te zijn, al helemaal terwijl het hele debat plaatsvond door middel van vertalers. We moeten om deze redenen de feitelijke juistheid van het Itinerarium op sommige punten in twijfel trekken. De dialoog die in het eerste hoofdstuk werd genoemd, waarbij Rubroek aan het hof van Sartach beweerde dat de keizer de machtigste man van Europa was, zou heel goed een verbuiging van de werkelijke gebeurtenis kunnen zijn, waarbij Rubroek zijn woorden in de mond van de Mongool Coiac legde om zo de koning de machtigste man te noemen zonder de keizer af te vallen.

Een andere element waar Rubroek vaak de nadruk op legt en dat in twijfel kan worden getrokken is de militaire zwakte van de Mongolen. Zo beweert hij dat de Mongolen geen partij zouden zijn voor een eventuele kruistocht.[97] In de epiloog roept hij daarom op tot een kruistocht om het heilige land te heroveren. De militaire houding van Rubroek lijkt te contrasteren met zijn bijna objectieve en geïnteresseerde houding tijdens zijn reis. Veel onderzoek naar dit contrast is er helaas niet gedaan. Wellicht schemert hier het werkelijke motief van Rubroek door. De kruistochten waren lang niet meer zo succesvol als de eerste, zoals pijnlijk duidelijk was geworden tijdens de kruistocht van koning Lodewijk. Moest Rubroek de Mongolen verkennen en informatie vergaren om te ontdekken of zij een kruistocht zouden kunnen weerstaan? En zo niet, of de Mongolen een vijand zouden zijn die het christendom weer zou kunnen verenigen? Zoals beschreven in het eerste hoofdstuk verkeerde Europa in zware tijden met het conflict tussen de paus en de keizer. Misschien werd een gemeenschappelijke vijand die met succes kon worden bestreden wel gezien als de oplossing om christelijk Europa weer te verenigen.

Terwijl Rubroek oproept tot een nieuwe kruistocht haalt hij de eerste kruistocht aan: “In days of old these parts were traversed by brave men, and they met with success, for all that they were opposed by the staunchest adversaries, whom God has now removed from the face of the earth. Nor were they obliged to endure the perils of the sea or to be at the mercy of ships’ crews.”[98] Dit punt is interessant vanwege de mislukte kruistocht van Lodewijk die over zee werd gevoerd. Rubroek heeft ervaren hoe een kruistocht over zee kon mislukken en adviseert de koning hier om het weer over land te doen. Dat was natuurlijk alleen mogelijk als de Mongolen niet tussen beiden konden komen, wat volgens Rubroek echter geen gevaar kon zijn. Ook waren de volkeren die tussen Europa en het Heilige Land lagen door de Mongoolse invallen dusdanig verzwakt dat ze geen weerstand zouden kunnen bieden aan een eventuele kruistocht.[99] Het wordt nergens expliciet vermeld, maar verschijnt hier tussen de regels opnieuw een ander motief? Dat van het verkennen van de macht van de Mongolen om te zien of de landroute naar het heilige land begaanbaar was? “I tell you with confidence that if our peasants – to say nothing of kings and knights – were willing to travel in the way the Tartar princes move and to be content with a similar diet, they could conquer the whole world”.[100] Koning Lodewijk heeft dit advies nooit opgevolgd en begon in 1269 opnieuw een kruistocht over zee, naar Tunesië. Hij had misschien beter naar Rubroek kunnen luisteren, want ook deze kruistocht was een grote mislukking en dit maal wist de koning het er niet levend van af te brengen.

Een andere gedachte die waarschijnlijk bij koning Lodewijk IX zal hebben meegespeeld is die van een bondgenootschap met de Mongolen. Zijn brief getuigt ervan dat hij in ieder geval wilde verkennen of positief contact met de Mongolen mogelijk was. De mythe van Pape Jan met zijn grote christelijke leger werd na de Mongoolse veldtocht in Europa niet meer met hen in verband gebracht, maar toch zal het idee van een nieuwe en machtige bondgenoot tegen de islamitische staten interessant hebben geleken. Toen Rubroek vertrok was de Mongoolse inval inmiddels tien jaar geleden, in tegenstelling tot de reis van Carpine, toen de veldtocht nog vers in het geheugen moet hebben gelegen. Voor Carpine was positief contact nog bijna ondenkbaar gezien de grote verwoestingen in Europa, maar voor Lodewijk en Rubroek moet dat al wat verder op de achtergrond zijn geraakt. Was de mythe van Pape Jan wellicht net zo iets als de eenhoorns voor Marco Polo en de grote wilde honden voor Rubroek? Dat het verhaal van Pape Jan niet werd geloofd betekende niet dat er ergens een kern van waarheid in kon zitten. Misschien ging Rubroek op zoek om te ontdekken in wat voor vorm hij Pape Jan tegen kwam. Het was geen groot christelijk leger, maar een leger niettemin, dat dezelfde rol van Pape Jan zou kunnen vervullen. Rubroek lijkt echter weinig te spreken over een bondgenootschap met de Mongolen. Wellicht dat de ervaringen van zijn reis door een compleet vreemde wereld hem weinig hoop gaf op een bondgenootschap tussen twee zo verschillende volken.

Welke van de drie gegeven redenen kunnen we geloven? En welke motieven spelen op de achtergrond nog meer een rol? Rubroek begaf zich onder vijanden en moest goed oppassen wat hij zei, een oprecht antwoord valt dan ook nauwelijks van hem te verwachten. De drie redenen lopen nogal uiteen. Was het een bekeringsmissie volgens de regels van de Franciscaner orde en dus indirect in opdracht van de paus? Was het een diplomatieke missie van de koning verhuld in een bekeringsmissie? Of toch een persoonlijke zoektocht naar de Duitse slaven en gaven zijn Franciscaner achtergrond en de brief van de koning hem de mogelijkheid om dit doel na te streven? Gezien er geen verdere bronnen zijn die ons iets over Rubroek kunnen leren zal het antwoord nooit volledig gevormd kunnen worden. Een combinatie van de drie het meest voor de hand. Persoonlijke motieven, die van de koning en die van de paus sluiten elkaar niet uit, ze vullen elkaar zelfs aan. Wel staat vast dat Rubroek in geen van de drie doelen succesvol was. De Mongolen bleken weinig ontvankelijk voor het christendom, Sartach was geen christen en wilde zelf niet ingaan op de brief en ook de Duitse slaven heeft Rubroek niet kunnen vinden. Wellicht was er een vierde motivatie, waar Rubroek in zijn eerste regels over vertelt: “you told me, when I left you, to put in writing for you everything I saw among the Tartars, and further urged me not to be afraid of writing to you at length; and so I am doing as you commanded”[101] Hier heeft Rubroek zich uitstekend aan gehouden en daarmee heeft hij de eeuwige dank van historici verdiend.

 

Lees meer

Europa en de wereld

 

Literatuur

Barlett, R., Gerald of Wales 1146-1223 (Oxford 1982).

Beazley, C., R. Hakluyt, Giovanni da Pian del Carpine, Willem van Ruysbroeck, The Texts and Versions of John de Plano Carpini and William de Rubruquis (Londen 1903).

 

Bonewa-Petrowa, M., ‘Rubrucks Reisebeschreibung als soziologische und kulturgeschichtliche Quelle’ Philologus 115 (1971) 16-31.

 

Brincken, A., ‘Eine Christliche Weltchronik von Qara Qorum: Wilhelm von Rubruck OFM und der Nestorianismus’ Archiv für Kulturgeschichte 53 (1971) 1-19.

 

Chambers, J., The Devil’s Horsemen: The Mongol Invasion of Europe (Londen 2001).

 

Charpentier, J., ‘William of Rubruck and Roger Bacon’, Geografiska Annaler 17 (1935) 255-267.

 

Clark, L., ‘The Turkic and Mongol Words in Williams of Rubruck’s Journey’, Journal of the American Oriental Society 93 (1973) 181-189.

 

De Rachewiltz, I., Papal Envoys to the Great Khan (Londen 1971).

 

Ho, C., ‘Thirteenth and Fourteenth Century European-Mongol Relations’, History Compass 10 (2012) 946-968.

 

Jackson, P., ‘Medieval Christendom’s Encounter with the Alien’, Historical Research 74 (2001) 347-369.

 

Jackson, P., ‘The Crisis in the Holy Land in 1260’, The English Historical Review 95 (1980) 481-513.

 

Jackson, P., The Mission of Friar William of Rubruck: His Journey to the Court of the Great Khan Möngke, 1253-1255 (Indianapolis 2009).

 

Jackson, P., ‘The Mongols and the Faith of the Conquered’, in: Reuven Amitai, Michal Biran ed., Mongols, Turks and Others. Eurasian Nomads and the Sedentary World (Leiden 2005) 245-90.

 

Jackson, P., ‘William of Rubruck in the Mongol Empire: Perception and Prejudices’, in: Zweder von Martels ed., Travel Fact and Travel Fiction. Studies on Fiction, Literary Tradition, Scholarly Discovery and Observation in Travel Writing (Leiden 1994) 54-71.

 

Kwanten, L., Imperial Nomads: A History of Central Asia 500-1500 (Leicester 1979).

 

May, T., The Mongol Conquests in World History (London 2012).

 

Münkler, M., Erfahrung des Fremden: die Beschreibung Ostasiens in den Augenzeugenberichten des 13. Und 14. Jahrhunderts (Berlijn 2000).

 

Paviot, J., ‘England and the Mongols (c. 1260-1330)’, Journal of the Royal Society of Great Britain & Ireland 10 (2000) 305-318.

 

Power, A., ‘Going Among the Infidels: The Mendicant Orders and Louis IX’s First Mediterranean Campaign’, Mediterranean Historical Review 25 (2010) 187-202.

Ryan, J., ‘To Baptize Khans or to Convert Peoples? Missionary Aims in Central Asia in the Fourteenth Century’, In: G. Armstrong and I. Wood ed., Christianizing Peoples and Converting Individuals (Turnhout 2000).

 

Saunders, J., The History of the Mongol Conquests (London 1971).

 

Schmieder, F., ‘Cum Hora Undecima: The Incorporation of Asia into the Orbis Christianus’, in: G. Armstrong, I. Wood ed., Christianizing Peoples and Converting Individuals (Turnhout 2000).

 

Schollmeyer, P., ‘Die Missionsfahrt Bruder Wilhelms von Rubruck zu den Mongolen’, Zeitschrift für Missionskunde und Religionswissenschaft 40 (1956).

 

Simpson, M., ‘Manuscripts and Mongols: Some Documented and Speculative Moments in East-West/Muslim-Christian Relations’, French Historical Studies 30 (2007) 533-545.

 

Valtrová, J., ‘Beyond the Horizons of Legends: Traditional Imagery and Direct Experience in Medieval Accounts of Asia’, Numen 57 (2010) 154-185.

 

Watson A., ‘Mongol Inhospitality, Or How to do More With Less? Gift giving in William of Rubruck’s Itinerarium’, Journal of Medieval History 37 (2011) 90-101.

 

Weatherford, J., Genghis Khan and the Making of the Modern World (New York 2004).

Voetnoten

[1] Marco Polo, Il Milione 3, IX.

[2] Isodorus van Sevilla, Stephen Barney e.a., The Etymologies of Isodore of Sevilla (Cambridge 2006) 288. “This land has enormous dogs; their ferocity is such that they attack bulls and kill lions.”

[3] Peter Jackson, David Morgan, The Mission of Friar William of Rubruck: His Journey to the Court of the Great Khan Möngke, 1253-1255 (Indianapolis 2009) 130.

[4] R. Barlett, Gerald of Wales 1146-1223 (Oxford 1982) 174-175.

[5] Voor een studie naar de rol van tijd aan de rand van de wereld tijdens de Middeleeuwen zie: Felicitas Schmieder, ‘Edges of the World – Edges of Time’, in: Gerhard Jaritz, Juhan Kreem ed., The Edges of the Medieval World (Boedapest 2009) 4-20.

[6] Matthieu Paris, Chronica Majora, vol. IV, 76-7.

[7] Peter Jackson, ‘Medieval Christendom’s Encounter with the Alien’ Historical Research 74 (2001) 350.

[8] Ibidem, 350-352.

[9] Jackson, The Mission, 59-60.

[10] Ibidem, 69.

[11] F. Schmieder, ‘Cum Hora Undecima: The Incorporation of Asia into the Orbis Christianus’, in: G. Armstrong, I. Wood ed., Christianizing Peoples and Converting Individuals (Turnhout 2000) 259–65.

[12] J. Ryan, ‘To Baptize Khans or to Convert Peoples? Missionary Aims in Central Asia in the Fourteenth Century’,

In: G. Armstrong and I.N. Wood ed., Christianizing Peoples and Converting Individuals (Turnhout 2000) 247-257,

[13] Jackson, The Mission, 115.

[14] Peter Jackson, The Mongols and the West 1221-1410 (Harlow 2005) 24-25. Vert.: “en zie, de almachtige stuurde gezanten, maar met een andere boodschap.”

[15] Alberik van Trois-Fontaines, ‘Chronica Alberici Monachi Trium Fontium’, Monumenta Germaniae Historica, 943. “Rex Tartarorum imperatori Frederico scripsit mandans, ut sibi in hoc consuleret, quatinus officium aliquod in sua curia eligeret et de se terram teneret. Ad quod imperator respondisse fertur, quod satis scit de avibus et bene erit falconarius.”

[16] Ibidem.

[17] J. Saunders, The History of the Mongol Conquests (Philadelphia 2001) 84.

[18] Chronica Regia Coloniensis, MGH, 281. “Timor non modicus eiusdem barbare gentis remotiores etiam partes, non solum Galliam, sed et Burgundiam et Hispaniam invasit, quibus nomen Tartarorum antea incognitum fuit.”

[19] Saunders, Mongol Conquests, 86.

[20] J. Weatherford, Genghis Khan and the Making of the Modern World (New York 2004) 157-159.

[21] Saunders, Mongol Conquests, 87-88.

[22] L. Kwanten, Imperial Nomads: A History of Central Asia 500-1500 (Leicester 1979) 175.

[23] C. Beazley, R. Hakluyt, Giovanni da Pian del Carpine, Willem van Ruysbroeck, The Texts and Versions of John de Plano Carpini and William de Rubruquis (Londen 1903).

[24] I. De Rachewiltz, Papal Envoys to the Great Khan (Londen 1971) 102-105.

[25] Beazley, The texts, 50.

[26] De Rachewiltz, Papal Envoys, 119-120.

[27] Jean de Joinville, Ethel Bowen-Wedgwood, The memoirs of the Lord of Joinville (Londen 1906) 52-53.

[28] Vertaling van de originele brief in: De Rachewiltz, Papal Envoys, 213-214.

[29] Jackson, The Mission, 32.

[30] Matthieu Paris, Chronica Majora, vol. IV, 607-608.

[31] Deze brief is overgebleven in een verslag van de pauselijke vertegenwoordiger Eudes van Chateauroux, zie: D’Achéry, Spicilegium, III, 625-626.

[32] De Rachewiltz, Papal Envoys, 121.

[33] Jean de Joinville, Ethel Bowen-Wedgwood, The Memoirs of the Lord of Joinville (Londen 1906) 58-59.

[34] Ibidem, 64.

[35] Ibidem, 258-259.

[36] Mattheüs 24, 14: “En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.”

[37] Ho Colleen, ‘Thirteenth and Fourteenth Century European-Mongol Relations’, History Compass 10 (1012) 946-968.

[38] Jackson, The Mission, 67

[39] Ibidem, 66-68.

[40] Schollmeyer, P.C., ‘Die Missionsfahrt Bruder Wilhelms von Rubruck zu den Mongolen’, Zeitschrift für Missionskunde und Religionswissenschaft 40 (1956) 200-205.

[41] Jackson, The Mission, 226.

[42] Peter Jackson, ‘William of Rubruck: A Review Article’, Journal of the Royal Asiatic Society of Great Britain and Ireland 1 (1987) 92-97.

[43] Twee voorbeelden: Jackson, The Mission, 44. Denis Sinor, ‘Reviewed Work: The Mission of Friar William of Rubruck: His Journey to the Court of the Great Khan Möngke 1253-44 by Peter Jackson’, Journal of the Royal Asiatic Society, 1 (1991) 447-449. Hier wordt verwezen naar: L. Hambis, Saint Louis et les Mongols (Parijs 1970).

[44] Schollmeyer, P. C., ‘Die missionarische Sendung des Frater Wilhelm von Rubruck’ Ostkirkliche Studien IV (1955) 138-149. Ook Jean Richard heeft deze opvatting:  Jean Richard, The Crusades, c. 1071-c. 1291, (Cambridge 1999) 366.

[45] Jackson, The Mission, 171.

[46] Ibidem.

[47] M. Münkler, Erfahrung des Fremden: die Beschreibung Ostasiens in den Augenzeugenberichten des 13. und

  1. Jahrhunderts (Berlijn 2000) 81-82.

[48] F. Schmieder, ‘Cum Hora Undecima: The Incorporation of Asia into the Orbis Christianus’, in: G. Armstrong, I. Wood ed., Christianizing Peoples and Converting Individuals (Turnhout 200) 259-265.

[49] Schmieder, ‘Cum Hora Undecima’, 260-262.

[50] A. Power, ‘Going Among the Infidels: the Mendicant Orders and Louis IX’s First Mediterranean Campaign’, Mediterranean Historical Review 25 (2010) 187-202.

[51] Ibidem, 194.

[52] Ibidem.

[53] Jackson, The Mission, 67.

[54] J. Ryan, ‘To Baptize Khans or to Convert Peoples? Missionary Aims in Central Asia in the Fourteenth Century’, in: G. Armstrong, I. Wood ed., Christianizing Peoples and Converting Individuals (Turnhout 200), 247-257.

[55] Jackson, The Mongols, 262.

[56] Schmieder, ‘Cum Hora Undecima’, 260.

[57] Jackson, The Mission, 51-52.

[58] M. Campbell, The Witness and Other World: Exotic European Travel Writing, 400-1600 (Ithaca en Londen 1991) 113.

[59] Ibidem.

[60] R. Hakluyt, The Principal Navigations, Voyages, Traffiques and Discoveries of the English Nation (Londen, 1598).

[61] L. Olschki, Marco Polo’s Asia: an Introduction to his “Description of the World” called “Il Milione” (Berkeley 1960) 69.

[62] Campbell, The Witness, 113.

[63] Jackson, The Mission, 59.

[64] M. Komroff, Contemporaries of Marco Polo (Londen 1929) 27.

[65] H. Murray, The Travels of Marco Polo (New York 1845) 83.

[66] Komroff, Contemporaries, 70.

[67] Jackson, The Mission, 175.

[68] Ibidem, 173.

[69] Ibidem, 71.

[70] Ibidem, 103, 127-128, 135, 141.

[71] Ibidem, 108.

[72] Campbell, The Witness, 113.

[73] Jackson, The Mission, 100.

[74] Ibidem, 89.

[75] Ibidem, 79.

[76] Ibidem.

[77] Ibidem, 82.

[78] M. Münkler, Erfahrung des Fremden: die Beschreibung Ostasiens in den Augenzeugenberichten des 13. und 14. Jahrhunderts (Berlijn 200) 147.

[79] Jackson, The mission, 163.

[80] Ibidem, 122.

[81] Ibidem.

[82] Ibidem, 164.

[83] Ibidem, 231.

[84] Jackson, The Mission, 188.

[85] Campbell, The Witness, 116.

[86] Jackson, The Mission, 278.

[87] Ibidem.

[88] Jackson, The Mission, 67.

[89] Ibidem, 238.

[90] Ibidem, 97.

[91] Ibidem.

[92] Ibidem, 226.

[93] Ibidem, 238.

[94] Ibidem, 239.

[95] Ibidem, 276.

[96] P. Jackson, ‘The Itinerarium of Friar William of Rubruck’, Commentary Project of the Center for Central Eurasian “Civilization Archive”, 17.

[97] Jackson, The Mission, 107

[98] Ibidem, 278.

[99] Ibidem.

[100] Ibidem.

[101] Ibidem, 59-60.

Geef een reactie